Notice: Trying to get property 'id' of non-object in /home/skoolwijk/domains/sanderkoolwijk.nl/private_html/pages/publicaties.php on line 10

Contact

contact en boekingen:

info@sanderkoolwijk.nl
telefoon: 0647400006

In opdracht

Publicaties

Gedicht "Vloed", in de Liber Amicorum Vloedlijn 80, voor Victor Vroomkoning

De vriendschapsbundel Vloedlijn 80 verscheen ter gelegenheid van het 80-jarige jubileum van Victor Vroomkoning.

Het gedicht "Vloed" schreef ik spreciaal voor Victor Vroomkoning.

Uitgeverij Vliedorp

Verhaal "Chica", in Nieuw West Side Stories

Steeds opnieuw Nieuw West!

Shortlist van de verhalenwedstrijd  Nieuwe West Side Stories, 2020

Uitreiking prijs oktober 2021

Gedicht "Overwoekerd", in de bloemlezing "Eén zwaluw maakt geen zomer"

Voor deze bundel verzamelde Wim Huijser meer dan 200 van zijn favoriete natuurgedichten, overzichtelijk ingedeeld per seizoen, 2020.

Uitgeverij Rainbow bv

"Overwoekerd", is opgenomen in de dichtbundel De patroon van het huis.

 

Gedicht "Rivierenland", in de bloemlezing "Dichters uit de bundel: de moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten"

De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten.

In Dichters uit de bundel zijnde meest recente periode en de vernieuwing van de hedendaagde Nederlandstalige poëzie in kaart gebracht.

Uitgeverij Marmer

"Rivierenland" is een gedicht uit de dichtbundel Bergstraat 55.

 

Posters met de Coronagedichten van onze dans en poëzie voorstelling Covid Bloesem!

Gedicht "Huis in crisistijd", in Dichter bij de dag

Dagelijkse portie poëzie op Radio 1!

Een tijd lang was ik een van de dichters die tijdens de middaguitzendingen van Radio 1 Dit is de Dag een gedicht schreef over de actualiteiten die behandeld werden in de uitzending. Aan het einde van de uitzending droegen we ze live voor.

Gedicht "Muurnotitie", in Nieuw West Side Stories

Steeds opnieuw Nieuw West!

Gedicht "Muurnotitie" werd geschreven bij de muurschildering van Nils Westergard, op het pand van HW10 (Hendrik van Wijnstraat 10).

Eerste publicatie samen met dochter dichter Dagmer Koolwijk, die het gedicht Regels schreef, dat eerder werd gepubliceerd in de honderd mooiste gedichten van Kinderen & Poëzie 2015-2016.

Gedicht "Zonder titel"", Millennium Experimenta #3

De mooiste en meest experimentele foto's uit de bergsportwereld, uitgegeven door Grivel, een van de leading bergsportmerken.

Het gedicht "Zonder titel" is geschreven bij de foto van klimfotograaf Wilfried Zwaans

Vertaling NL-Eng door Wilfried Zwaans

Gedicht "Noordwand" in Op Pad

Op Pad is een van de outdoormagazines in NL.

Het gedicht "Zonder titel" verscheen eerder in de bundel " Bergstraag 55" en verscheen samen met een foto van Menno Boermans, 2002

Column s/ Verhalen gedurende 5 jaar in Limits magazine

Vijf jaar lang schreef ik iedere publicatie een column in de vorm van een verhaal , 2000-2005

Gedicht "Zonder titel", cover Limits magazine #44

Limits is het magazine voor sportklimmers en alpinisten.

Het gedicht "Zonder titel" is geschreven bij de foto van klimfotograaf Wilfried Zwaans

Gedicht "Beweging", in de jubileumuitgave Bergland

Een eeuw Nederlandse Alpinisme

In deze jubileumuitgave van de Nederlandse Klim- en Bergsporttvereniging (NKBV) staan de mooiste verhalen (en 1 gedicht) die over het Nederlandse bergbeklimmen zijn geschreven.

Het gedicht "Beweging" werd eerder gepubliceerd in de dichtbundel "Bergstraat 55".

Uitgeverij Tirion Uitgevers BV

Gedicht "Dorp op de berg", in Langs beide oevers van de Maas

Ter gelegenheid van 170 jaar scheiding tussen de beide provincies Limburg en het honderd jaar bestaan van het Limburgs Volkslied, 2009

"Dorp op de berg" werd later opgenomen in de bundel De patroon van het huis.

Dorp op de berg gaat over sweikhuizen, het dorp waar ik opgroeide tot ik naar Amsterdam verhuisde.

Uitgeverij Kleinood & Grootzeer

Gedicht "Boom voor huis", in Kastanjegedichten

Dichters op de bres voor de paardenkastanje

Uitgeverij Passage

"Boom voor huis" werd eerder opgenomen in de bundel Onder dak

Gedicht "In het park", in de jubileumbundel Ik schreef het toch, van Henk van Zuiden

Ik schreef het toch, de 75 mooiste gedichten van Henk van Zuiden, verscheen ter ere van 25 jaar poëzie van Henk.

De dichters Ina Stabergh, Ignmar Heytza, Job Degenaar, Johanna Kruit, Jara Beranová, Victor Vroomkoning, Leo Vroman, F. Starik en Sander Koolwijk, schreven ieder een speciaal gedicht voor deze bijzondere dichter en bloemlezer.

Uitgeverij Holland, 2008

 

Gedicht "Einmal is keinmal", boekenlegger van De Haarlemse Dichtlijn

De boekenlegger verscheen in het kader van het poëziefestival De Haarlemse Dichtlijn, 2011

"Einmal ist keinmal", is opgenomen in de dichtbundel De patroon van het huis.

 

Gedicht "Rivierenland", in de bundel van De Haarlemse Dichtlijn

De bundel De Haarlemse Dichtlijn 2006 verschreen ter gelegenheid van het poëziefestival De Haarlemse Dichtlijn, 2006

"Rivierenland", is opgenomen in de dichtbundel Onder dak.

 

Sander's Column, Limits magazine #

Limits is het magazine voor sportklimmers en alpinisten. Voor dit magazine schreef ik gedurende 5 jaar lang een column in de vorm van een verhaal (en soms een lang gedicht).

Dit is er een van.

Gedicht "Kans" in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde

augustus 2011-jaargang 77-nummer 8

"Kans", is een gedicht uit de dichtbundel De patroon van het huis.

Het gedicht gaat over de ondekking van het HIGGS deeltje in het CERN.

Gedicht "Zoals een eerste keer", in de bundel 29ste Nacht van de poëzie

"De nacht is een beschilderde slaap" - Hans Andreus.

De bundel 29ste Nacht van de Poezie, 2010 verscheen ter gelegenheid van de 29ste editie van de Nacht van de Poëzie. 20 dichters en 26 slamdichters deden mee aan deze editie.

"Zoals een eerste keer", schreef ik eerder in opdracht voor een 25-jarig huwelijk.

Uitgeverij Podium.

 

Gedicht "In het park", in de gedichten- en verhalenbundel Zeeën van tijd

gedichten en verhalen ter ere van Sail Amsterdam 2010 door de OBA, 2010

"In het park", werd eerder geschreven voor - en gepubliceerd in de jubiliumbundel van Henk van Zuiden.

 

Gedicht "Einmal ist Keinmal", in de bundel Dichter aan huis

De bundel Dichter aan huis, 2011 verscheen ter gelegenheid van de 11de editie van het gelijknamlige poëziefestival in Den Haag.

"Einmal is Keinmal", werd eerder gepubliceerd in de dichtbundel De patroon van het huis.

 

Gedicht "Heel Dichtbij", in de bloemlezing "Voor een dag van morgen"

De allermooiste Windroosgedichten 1950-2006

Uitgeverij Holland, 2007

"Heel Dichtbij", opgenomen in de dichtbundel Onder dak.

 

Gedicht "Heel Dichtbij", in de bloemlezing "Alles voor de liefde"

De mooiste gedichten over de liefde, 2004

Uitgeverij 521

"Heel Dichtbij", ongepubliceerd bij verschijnen van de bloemlezing, later opgenomen in de dichtbundel Onder dak.

 

Gedichten "De Vliehorst" en "Man op de maan", in de bloemlezing "De Wadden in gedichten"

De Wadden in gedichten, 2004

Uitgeverij 521

De gedichten "De Vliehorst" en 'Man op de maan", schreef ik speciaal voor deze bloemlezing. Mijn eerste "in opdracht" gedichten, speciaal voor bloemlezer Henk van Zuiden.

 

Gedicht "Reservist", in de bloemlezing "Vriendschap"

Gedichten voor vrienden, 2008

Rainbow Essentials, Uitgeverij Maarten Munitinga bv

"Reservist", verschreen eerder in de bloemlezing We weten elkaar altijd te vinden.

 

Gedicht "De klimmer, een berg", in de bloemlezing "De mooiste reisgedichten voor onderweg"

De Mooiste Reisgedichten voor onderweg, 2009

Rainbow Essentials, Uitgeverij Maarten Munitinga bv

"De Klimmer, een berg", is een gedicht uit de dichtbundel Bergstraat 55.

 

Gedicht "Beweging", in de bloemlezing "Winnaars"

De mooiste sportgedichten, 2012

Rainbow Essentials, Uitgeverij Maarten Munitinga bv

"Beweging", is een gedicht uit de dichtbundel Bergstraat 55.

Gedicht "Weerbericht", in de bloemlezing "Gedichten voor het hart"

Troostende woorden uit de Nederlandse en Vlaamse poëzie, 2006

Rainbow Essentials, Uitgeverij Maarten Munitinga bv

"Weerbericht", is een gedicht uit de dichtbundel Onder dak.

Dichtbundel De patroon van het huis

Uitgeverij Holland, 2011

Windroosreeks

Derde dichtbundel Sander Koolwijk

ISBN 9789025111335

Interview in het CJP magazine

In 2006 werd ik als NL kampioen poetryslam kort geïnterviewed door het CJP magazine

Gedicht "Over liefde" op een valentijnskaart van Connexxion

Busmaatschappij Connexxion drukte valentijnskaarten met poëzie, in het jaar 2006 of 2007

"Over liefde" verscheen eerder in de dichtbundel Onder dak.

Dichtbundel Onder dak

Uitgeverij Holland, 2005

Windroosreeks

Tweede dichtbundel Sander Koolwijk

ISBN 9025109810

Foto's in Krakatau

Tijdschrift in de overgang, Nr 40

Fotoserie Dichter bij Couture

Literatuur, poëzie en mode lijken niet samen te gaan... Ditisonswerk laat zien dat het kan.

Gedicht "Stieken weer volwassen" in Poëzine

lietrair tijdschrift Alles van alles en poëzie, nummer 1

"Stiekem weer volwassen" speciaal geschreven voor het eerste nummer van dit magazine.

Reportage "Tussen de toeristen door over de Wallen racen", Paroool

Amsterdam - Zaterdagavond. Onder het Rijksmuseum draaien koeriers wat rondjes. Zo'n vijfentwintig man hebben zich verzameld voor de Allycat. De Allycat houdt het midden tussen een fietskoerier en een steegjeskat, die met grote snelheid en wendbaarheid door de straten van de stad scheurt.

Tekst Sander koolwijk, Fotografie Menno Boermans, 9 september 2002

Rondom 2002 schreef ik voor het Parool. Dit is een van de artikelen die ik in die tijd publiceerde voor deze krant.

Reportage "Het is plakken of gepakt worden", Paroool

Plakken, overgeplakt worden, weer plakken overgeplakt worden enzovoort. De illegale plakkers van Amsterdam en ze moeten in hun strijd met de reinigingspolitie over een lange adem en volle emmers lijm bezitten. En dan liggen ook de gewone agenten nog op de loer.

Tekst Sander koolwijk, Fotografie Menno Boermans, 30 nov 2002

Rondom 2002 schreef ik voor het Parool. Dit is een van de artikelen die ik in die tijd publiceerde voor deze krant.

Reportage "Gekraakt", Paroool

Serie over kraakplekken in Amsterdam.

Tekst Sander koolwijk, Fotografie Menno Boermans, 9 september 2002

Rondom 2002 schreef ik voor het Parool een serie over klaarkplekken in Amsterdam. Dit is een van de artikel die er in die serie verscheen.

Dichtbundel Bergstraat 55

Uitgeverij Seven Hill, 2002

Windroosreeks

Derde dichtbundel Sander Koolwijk

ISBN 9090163891

Verhaal "De Stenen Danseres", in De Berggids

De Stenen Danseres, de berg voor eenzamen, werd in op aanvraag van De Berggids geschreven, 1997, 95 jaar KNAV.

Dit is het eerste gepubliceerde verhaal van Sander

Beeld en geluid

Dans en Poetry Film Covid Blossom

Beweegredenshow in Lockdown

Tijdens de Lockdown gaven we met onze Beweegredenshow optredens bij verzorgingshuizen. Deze deden we bij De Schutse, in Amsterdam.

Covid Blossom Short van de voorstelling

Voorstelling Covid Blossom, Dans en Regie: Anastasia Kostner, Muziek: Paulina Kiss. Poetry en Dans: Sander Koolwijk

Ja! Optreden bij Urban Resort Afscheid Jaap Draaisma.

https://www.youtube.com/watch?v=j_fcLoHJlHM

 

Backwards (Dans en Poetry film)

Tijdens de lockdown praatte ik met Anastasia over wat Corona betekende voor ons. We voelden de er dingen langszaam achteruit liepen.... backwards.

Optreden Paradiso ADM: eerste versie van gedicht Gasmasker

https://www.youtube.com/watch?v=tzKYA1HUOD8

 

Zorg Voor Zorg. Optreden tijdens Staking voor het behoud van het Slotervaartzieken.

https://www.youtube.com/watch?v=HqhP7VbiCng

 

De Beweegredenshow

Samenvatting van De Beweegredenshow: theatrale openingsshow op maat die wij regelmatig opvoeren voor uiteenlopende opdrachtgevers. In samenwerking met Violiste Passionflower en Jongleerduo Mindpepper.

VJ en Poezie, samen met DJ Kiki Timecode

We maakten samen VJ materiaal voor discotheken.

Foto film van optreden samen met Ellen Deckwitz bij Dichter aan Huis, Den Haag, 2012

Roman Spiegelreflectie Amstel, eerste 4 hoofdstukken

Synopsis: Spiegelreflectie Amstel (werktitel)

 

Niek, een witte schipper, vaart sinds zes jaar op de Amsterdamse grachten. Het stabiele leven van de rondvaart helpt hem bij het behouden van balans in zijn leven.

Jarenlang bevoer hij vanuit Rotterdam de grote rivieren. Door de onregelmatige lange uren en de eenzaamheid van het oneindige water, kreeg zijn meervoudige persoonlijkheidsstoornis en zijn belangrijkste alter ego Inge steeds meer vat op hem. In de spiegelreflectie van het Amstelwater heeft hij zijn rust weer hervonden, waant hij zich veilig voor zijn slechte helper Inge en durft hij zijn oude droom weer te koesteren om dichter te worden.

Varend op de grachten wordt hij zich echter langzaam bewust van de schizofrene manier waarop er met het verleden van Amsterdam wordt omgegaan; hoe het slavernijverleden verborgen wordt gehouden, als het ware ‘onder de waterspiegel’, en het kleine onschuldige hardwerkende Holland dat ‘boven de waterspiegel’, met z’n Amsterdam zus en z’n Amsterdam zo, trots tentoongesteld wordt in openluchtmuseum Amsterdam. Langzaam wordt hij steeds meer geconfronteerd met zijn eigen witte ongemak over racisme. Zijn drie collega-maten, met wie hij soms afspreekt, denken er alle drie anders over. Niek raakt door dit alles uit balans, waardoor Inge terug kan keren in Nieks leven.

Inge probeert Niek uit Amsterdam weg te krijgen, terug de grote rivieren op, of beter nog, de zee op, waar ze onbedreigd met hem samen kan leven. Dit doet ze door hem ervan te beschuldigen dat hij niet alleen zijn brood verdient in een stad die haar zwarte verleden verdoezeld, maar dat hij ook actief bijdraagt aan het in stand houden van een foutieve geconstrueerde herinnering door dag in dag uit de eenzijdige informatie van de audiotourguide in de oren van de toeristen te proppen. Ook Nieks stadse dichtersdromen stampt ze de grond in: Niek is een zwakkeling die te laf is om ooit op een poëziepodium te gaan staan.

In een alles of niets poging om sterker dan Inge te zijn, maakt hij een afspraak met haar: als hij aan een poëziewedstrijd in een café durft mee te doen en die wint, dan laat Inge hem voorgoed met rust. Zo niet, dan gaat hij met haar mee, weg uit Amsterdam. Inge stemt in. Om er zeker van te zijn dat hij hoe dan ook het besmette grachtenwater met z’n I-Amsterdam-euforie verlaat, laat ze de grachten bloedrood kleuren.

 

 

ps. hoe tof zou het zijn om de Amsterdamse grachten echt bloedrood laat kleuren tijdens de presentatie van het boek. Ik heb al offertes liggen hoeveel het zou kosten om met biologische kleurstof de grachten rood te laten kleuren. Wellicht kunnen er fondsen worden verkregen hiervoor. Maar ik heb ook contact gehad met mensen die werken met lichtinstallaties, waarmee je misschien makkelijker de boel rood kunt laten kleuren, misschien wel tijdens het Amsterdam light festival. Natuurlijk moet het boek eerst goed zijn, op zichzelf staan, een eigen stijl hebben en een universeel verhaal vertellen: dat van een mens op zoek naar rust. Toch heb ik heb al veel contacten gelegd, bv met iemand die foto’s van grachten gemanipuleerd heeft tot wilde zeeën en met licht – en filmmensen.

 

 

 

Spiegelreflectie Amstel (werktitel), vijf hoofdstukken.

 

Zondagochtend

Bibberende grachtenpanden glijden geruisloos onder zijn rondvaartboot door. De passagiers turen vanachter de glazen overkapping naar de imaginair leerlooiende ambachtslieden van de negen straatjes. Een dappere zon kruipt de Amsterdamse kade op. De audiotour in de oren van de toeristen als spenen in tevreden baby’s. Rust op het water, rust in het ruim.

Terwijl ze kalm rechtdoor varen krabbelt Niek in zijn opschrijfboekje:

water ligt niet ver van de wal. goudeneeuw-euforie wordt als Hollandse slagroomtaart gevoerd aan toeristen. gansjes volgestampt. terwijl de stad uitslaapt, ontwikkel ik zilver van mijn Côte d’Or.

Hij knikt en neemt de marifoon met volle mond ter hand: ‘Niek hier, goeiemorgen. Gaat van Prinsengracht de Leidse op.’

Langzaam duwt hij het gaspookje naar links. Boeg- en hekschroef zuigen water aan en spuwen golven uit. De boot vertraagt en verlaat de weerkaatste kade. Langzaam drijft hij verder door de aderen van de stad die langzaam in beweging komt.

‘Niek hier. Leidsegracht, Keizersgracht… Leidse vrij.’

Levensgrote poppenhuizen glijden langs. De topgevellijn van de gracht steekt frivool af tegen de blauwe novemberlucht. Dan laat hij zijn blik weer rusten op het zwarte Amsterdamse grachtenwater, maar hij denkt aan Rotterdam, vanwaar hij de grote rivieren bevoer. Het vergane haventje aan de Oude Maas ziet hij weer voor zich, met het impressionistische salonbootje dat hij opgeknapte tot woonsloep, waarop hij jarenlang met Inge Ewaldus samenwoonde.

Atlantis aan de Maas, ergens op de bodem, in een zak met kittens, roze halsbandjes en rood gebakken baksteen, daar ergens moet jij zijn.

Maar Rotterdam ligt gelukkig ver achter hem. Dik zes jaar woont hij nu in Amsterdam. Hier, in de spiegelreflectie van de Amstel heeft hij zichzelf weer durven aankijken. Bijna iedere dag nog prijst hij zichzelf gelukkig dat hij aan deze zevenhonderd jaar oude toerist-magnetische oever zijn wal weer heeft gevonden. De poeha van deze stad, met z’n Amsterdam zus en z’n Amsterdam zo, neemt hij voor lief. De toerist wil nu eenmaal weg kunnen dromen bij de verhalen over de bierstad, Johan en Rembrandt, Anne Frank, tolerantie, de grachten en zijn oude gevelpanden. Bovendien leent de hoofdstad zich nu eenmaal goed om het kleine Holland te positioneren in de grote wereld. Rotterdam mag dan ook best oud en belangrijk zijn geweest, met z’n wereldhaven en z’n Erasmus, maar de nazi’s hebben de historische jus er toch wel vanaf gebombardeerd.

‘Keizers, Brouwersgracht.’ Hij duwt het pookje richting bakboord. Even opletten, Niek. ‘Keizers vrij.’

Snel noteert hij een dichtregel: katerige toerist aanschouwt vanaf de brug de schuit die wulps met haar kont naar achteren draait tot ze...

Hij schudt het hoofd. Nee, het is een niet kloppende dichtregel. Effectbejag bovendien, iets dat hij geleerd heeft van de boekenbijlagen van de kranten, die heel soms verlaten op hem liggen te wachten tussen de achtergelaten troep onder de oranje passagiersstoelen van zijn boot.

de stad ligt op z’n mallemoer nog. lamlendig likt een toerist het zonnetje van de kade. zijn ontbijt: jus d’orange en een croissantje uit een zak.

Ja, dat is beter.

Een donkergrijze grachtenwoning met witte gevelaccenten trekt zijn aandacht. Aan de hijsbalk van de tuitgevel hangt een wasmachine te bungelen boven een geveltrap met gietijzeren leuning. Zachtjes wiegend zakt het gevaarte langzaam richting water. Terwijl ze langsvaren landt de witte kolos veilig op de stoep.

Hij leunt achterover, zijn hoge zwarte kapiteinsstoel kreunt als een eenzaam schipperskind. Zijn voeten steunen op onderkant van het houten stuurwiel. Als de boegschroef het begeeft zal hij het geverniste reservehout ter hand moeten nemen. Maar in de zes jaar dat hij door deze grachten drijft, is dat nog nooit voorgekomen. Afkloppen niet nodig. De vloot, is als door een ringetje onderhouden. Vieze handen maakte hij hier nooit. De toeristenvaart heeft zoveel voordelen. Het enige dat hij echt mist aan het binnenschipperen is het oneindige uitzicht dat hem met enkele penseelstreken diep in zijn buik konden raken als de rivier hem, en zijn lading, een nieuw landschap binnenloodste. De rondvaart mag dan, volgens sommigen, het laagste van het laagste zijn, hij zit hier rustig en goed. De Rotterdamse binnenschipper Niek bestaat enkel nog in een gevoel van vrijheid dat bij vlagen boven komt drijven, in een paar mooie beelden in zijn hoofd en in een fragmentarische film van de laatste dag dat Inge bij hem was, die eindigde nadat ze richting de sterren sprong en daarna in het donkere water verdween.

 

Maandag avond

Afgedraaid vaart hij tussen de gezandstraalde statige bakstenen van de Herengracht door. Donkere hoge ramen staren hem doods aan.

De lange dag is bijna rondgevaren. Zo meteen alleen nog de lading aan wal zetten, chipsresten van de scholierenbende van vanmiddag opvegen en een lapje over de imitatiehouten tafeltjes halen, en dan op huis aan. Langzaam vaart zijn rondvaart langs de burgemeesterswoning. De zwarte statige kasteeldeur met de witte pilaren aan weerszijde verdwijnt even uit het zicht achter de stam van een knoestige kade-iep. De audiotour vertelt dat “Het Huis met de Kolommen” in de zeventiende eeuw werd neergezet door de hardwerkende koopman Godin, die ook bewindhebber was van de West-Indische Compagnie.

Verhalen, Amsterdam met haar historische, trotse verhalen over de vlijtige en ruimdenkende stad. Als hij nu, op deze late maandagavond, het stuur de rondte in zou gooien en in hoovercraftstand het Vondelpark in zou cruisen, dan schudt de voorgeprogrammeerde systeemstem zonder gêne een verhaal uit haar database over het prachtige oude filmtheater, de beroemde dichter Vondel die het kortste gedicht ooit schreef, “U, nu!”, of de schenking van het park onder voorwaarde dat honden er altijd los mogen lopen.

Terwijl hij zijn hoofd langzaam schudt, licht zijn mobiel op: zo biertje in café in ’t aepjen? Het is een berichtje van zijn collega-maten[1] Jan, Robbie en Peter, op de enige groepsapp waar hij deel van uitmaakt. Even leunt hij achterover en laat hij zijn armen als kinderbenen van zomerse bruggen langszij bungelen. Doet hij er verstandig aan om een pilsje te pakken? De laatste keer, twee weken geleden alweer, werd hij door de drukte overmand en raakte hij in paniek. Bezwete klauwen van de krijsende cafémenigte grepen hem naar de keel. Daarna voelde het alsof er een natte doek tegen zijn gezicht werd aangeduwd. Van zijn schippersvrienden hoorde hij een dag later dat hij happend naar adem naar buiten was gerend.

Kom op Niek, spreekt hij zichzelf toe, te veel op jezelf is ook niet goed voor een mens. Zelfs niet voor een binnenschipper. Hij laat het mogelijke cafébezoek nog even in de luwte liggen. Zijn maten verwachten geen antwoord, die kennen hem wel, die weten van zijn verleden. Gapend recht hij zijn rug. Voor hem duikt lantaarnlicht prachtig over het grachtenwater heen en landt wiebelig als een blinkende golfplaat te midden van de historische panden. Snel schiet hij een kiekje voor Facebook en noteert:

in het donker kun je duidelijk zien dat het water licht teruggeeft, alsof het de stad helpen wil. kan iemand de bodem zien als water lichter wordt?

Hij bekijkt het tekstje en de foto, knikt met getuite mond en stuurt het gedichtje de wereld in. Hij weet het zeker, als hij zijn cafévrees onder controle kan krijgen en als hij van al zijn losse aantekeningen en statusupdates echte poëzie weet te maken, dan zal hij zijn eigen werk ten gehore brengen als een echte dichter. Niek-I-Amsterdam, uw grachtendichter. Hij ziet zichzelf er op een of andere manier wel staan, op zo’n verhoging, met een stapeltje papier voor z’n neus. Maar tegelijkertijd hoort hij ook de stem van Inge in zijn hoofd, die zegt dat hij dat toch nooit zou durven.

Hij verlaat de Gouden Bocht. Nog even, Niek, weldra komt er een einde aan het touw. Verveeld wurmt hij de rubberen audiodopjes in zijn oren. De honingzoete gps-stem leest voor uit eigen werk: ‘Nederland staat wereldwijd bekend als een tolerante natie. Het begon al heel vroeg. Verdrukten van overal ter wereld kwamen naar Amsterdam. Iedereen was welkom. Nederland heeft altijd een open blik op de wereld gehad. Sinds de jaren zestig kan het al helemaal niet meer stuk. Op een paar zwarte bladzijden na is Amsterdam een open samenleving en is Nederland altijd een tolerant land geweest.’ Niek lacht minzaam om de tourguide slogans en trekt dan snel de oortjes uit zijn oren, want voor hem hangen feestvierende jongeren schreeuwend over de brugleuning. Ze steken hun middelvinger naar hem op en houden hun blikjes bier dreigend de lucht in. Ze bekogelen hem! Hij duikt weg achter zijn armen en vaart met ingehouden adem onder ze door. Hoort hij iets? Naast hem, op ooghoogte, tippelt een rat over een bemoste houten balk van de donkere brug en verdwijnt in de nis van een gemetselde pijler. Aan de andere kant van de brug is het rustig. De aangeschoten jeugd is nergens meer te bekennen.

Hij is er, eindelijk. Hij bindt zijn boot stevig vast aan de houten stijger, geeft een klopje op de boeg zoals een dressuurruiter haar paard bedankt en ploft neer op een ijzeren wachtbankje en mompelt ‘goedenavond’ tegen zijn passagiers die de wal opstappen. De dag is lang geweest. Op routine maakt hij alles klaar voor morgen en loopt dan, jas in de hand, langs het water, langs de Melkweg, richting Looiersgracht. Bij café Festina Lente houdt hij even zijn pas in. Het kriebelt, nu hij naar binnen kijkt. Iedere maand wordt hier de oudste poëzieslag van Nederland gehouden. Jarenlang zat Simon Vinkenoog er de jury voor. Niek heeft weleens wat van hem gelezen: Ik ben een vreemde in eigen bloed / mijn hartslag klopt aan andere deuren.

Veel dichters die hier meededen zijn doorgebroken. Binnen gonst het. Zou hij de drukte aankunnen? Maatjes in een vaatje, iedere derde maandag van de maand opnieuw. Tien minuten zou hij het misschien volhouden. Daarna zou hij als een rat piepend naar buiten rennen en vanaf de boeg van het zinkende schip, zich op zoek naar stilte ter plekke te pletter verzuipen in de gracht. Hij blaast een stofje van zijn zeeblauwe revers. Een kale man die op het bankje voor het café zit, slaat een biertje achterover en wenkt hem. Maar Niek schudt het hoofd: ‘Sorry, ik ga naar café In ’t Aepjen. Toch maar even de lange dag uitblussen met m’n maten.’ Terwijl hij gedag zwaait mompelt hij nog: ‘en ook proberen of ik op een of andere manier de cafédrukte misschien weer kan leren verdragen.’

 

 

In ‘t Aepjen

Als een kind dat het water in moet, maar eigenlijk niet wil, kijkt hij vanaf de Zeedijk door de ramen met de witte sierlijke letters In ’t Aepjen, naar binnen. Hun stamcafé, ouder dan de voc, is klein en bruin en oogt vandaag overzichtelijk genoeg om jezelf er niet te verliezen. Aan de lage bar, getimmerd van oude houten deuren, zitten twee gasten met de rug naar hem toe. In de hoek bij de dichte groen geverfde trap, die vroeger naar de bovenverdieping leidde, waar matrozen in hangmatten sliepen, ontdekt hij zijn drie collega’s. Vanachter de hoge rechthoekige ramen slaat hij ze gade.

Jan, die na zijn jeugd op het internaat zijn eerste vaarjaren op zee maakte, totdat de vis van de Europese Economische Gemeenschap niet meer in zijn netten mocht zwemmen, schudt zijn bonkerige kale kop en priemt twee uitgestoken wijsvingers in Robbies borst. Robbie, de druk pratende luchtspreker, staat met een biertje in zijn hand tegen de bronskleurige apentotem geleund en dient Jan zo te zien flink van repliek. Hij is hun stadsjongen, schipper van een nieuwe generatie, die met z’n creatief verwarde haar en z’n space-age brilmontuur een welkome afwisseling vormt in hun groepje jonge vijftigplussers. Waar zouden ze het over hebben? Jan kennende, vast over de vaart of de politieke lafheid van Nederland. Peter, die nu tussen zijn twee maten in komt staan, laat het verbale geweld rustig over zich heen denderen. Petertje. Nadat hij in de Rotterdamse haven steeds opnieuw weer werd geveld door zeeziekte, is hij achter Niek aan naar Amsterdam getrokken. In z’n slap hangende, weekdierenvelachtige trui, ziet hij er nog steeds pips uit, maar dat komt omdat hij net door z’n vrouw het huis uit is geknikkerd.

Nieks gedachten wandelen weg bij zijn maten, de Zeedijk af, naar zijn eigen vertrouwde thuis met het bedarende uitzicht over de stad en het water. De dag was lang, zijn knieën zijn waterig en hij wil onder zeil. Hij draait zich een kwart slag en loopt een paar passen.

‘Niek!’, klinkt het achter hem. Geschrokken ademt Niek een ferme hap Zeedijk-lucht in. ‘Kom je niet toch eventjes fijn naar binnen.’ Hij kijkt achterom. Het is Peter, met z’n zwarte krullen. ‘Kom toch eventjes, het zal je goed doen.’

Niek ademt uit en knikt langzaam van ‘ja’. Peter steekt zijn hand uit. Een natte washand glijdt langs Nieks vingers. Maar het maakt Niek niks uit. Hij is gesteld op Peter, die hij al kent vanaf de tijd dat ze samen in het laatste jaar van de schippersschool zaten. Achter hem loopt hij vier eeuwen oude kroeg binnen. Onzeker rits hij zijn jas open, daarna zijn grijze jumper. De woonkamersfeer die hier altijd hangt stelt hem enigszins gerust.

‘Goed dat je er bent, Niek! Goed dat je er bent.’ Robbie kletst zijn hand soepel in de zijne. Ook Jan verwelkomt hem, met een ijzeren zeemanshanddruk: ‘En gozer, toch geen exotische routes genomen vandaag?’ Gelukkig laat Jan zijn hand weer snel los.

‘Iedereen een biertje?’ vraagt Peter, terwijl Jan en Robbie hun discussie weer bestendigen.

‘En trouwens Robbedoes, d’r komt geen hardwerkende ziel naar zo’n voorstelling kijken, allemaal verloren geld.’ ‘Maar Jan, luister, als er iets is wat onze identiteit weerspiegelt, dan is het cultuur. Dat weet je toch ook wel. Dan wil je toch dat die kunstenaars…’ ‘Gozer, luister lekker zelf naar je eigen luchtspiegelingen. Het gaat erom dat het allemaal onzin is. En dat ik gewoon mijn mening mag hebben en dat is dat de hardwerkende Nederlander niet de broodlade van …’

Niek bekijkt de op z’n kop hangende glazen boven de bar, terwijl hij zijn best doet om de stampende dieselstem van Jan uit te zetten in zijn hoofd. Je zou het niet zeggen, maar thuis, waar Jan met een stevige Zaanse kloet woont, heeft hij niet veel in te brengen. Dat hij er zo angstaanjagend uitziet, dat komt door z’n vlezige kop, z’n gladgeschuurde boeg en z’n wenkbrauwen van scheepstouw. Daar kan hij zelf niets aan doen. Ondanks het feit dat de kapitein was op de boot waar hij zijn eerste lange binnenschippersreis op maakte, is hij nog steeds niet gewend aan zijn getetter. Maar Jans bonkerigheid ten spijt, Niek is hem eeuwig dankbaar. Juist toen hij het hardste hulp nodig had, en Inge hem echt in haar greep had, hielp Jan hem aan onderdak in Amsterdam en heeft hij ook nog eens helpen klussen totdat het klaar was.

Petertje, die geduldig wacht tot de barman de zojuist binnengekomen bankpakken heeft geholpen, glimlacht naar hem. Hoe Peter schijnbaar onaangedaan de ronkende woordenvloed van Jan over zich heen kan laten gaan, is hem een raadsel. Misschien heeft Petertje het geleerd op de bunkerschepen in de Rotterdamse haven. Daar vliegen de onduidelijke orders en verhalen, verdund met zeewind en golfslag, je ook om de oren.

De vele aapjes die her en der zitten of hangen zijn voor Niek een fijn aanknopingspunt om zich op te richten als het te druk voor hem is in dit café. Vroeger konden de voc-zeelui hier hun achterstallige rekeningen betalen met vreemde dieren uit verre wingewesten. In de vitrinekast aan de andere kant van het lokaal staat een viermastertje te pronken. Op de tap prijkt een drie vuisten hoog beeldje van een trotse Admiraal, alsof ‘ie zojuist de Oriënt heeft ontdekt.

‘Hé Petertje. Hulp nodig?’ Niek schrikt op van Jans stem. Een roestige beuk op diens schouders volgt. ‘Vier Aepenbier. We hebben dorst!’ Jan slaat zijn arm om Niek z’n nek. ‘Erbij blijven, hè Niek. We laten het niet gebeuren dat je weer ergens terecht komt waar je niet wezen moet.’

Als ze eindelijk allemaal voorzien zijn roept Robbie: ‘Proost Niek, op je mooie bibberwaterkiekje dat je op Facebook hebt gegooid daarstraks.’ Robbie, zelf niet onverdienstelijk creatief met de camera, laat een van Nieks statusupdates rondgaan die hij er eerder die avond heeft uitgegooid. ‘Maar Niek, met alle respect, mijn shoots zijn toch wel wat stilistischer dan de jouwe.’

Niek haalt zijn hangende schouders op. Zijn kiekjes zijn noodzakelijke bijvangst bij zijn online versjes, omdat Facebook zinnen met foto nu eenmaal voorrang geeft boven fotoloze zinnen.

‘Luister jongens,’ kondigt Robbie op gedragen toon aan: ‘Een gedicht dat onze eigen Niek Slauerhoff vanavond postte, getiteld “In de rij”: bomen staan als drinkebroeders met het hoofd omlaag langs de gracht. nu het november is, willen ze ervan door. soms vraag ik mij af of er zoiets bestaat als bomen die op elkaar lijken als twee druppels water. zouden ze familie zijn, de bomen langs de gracht?

Jan deelt een ferme schippersklap uit. Nieks rug staat in de fik. ‘Zal ik het even voor je googlen, gozer?’

‘Niet nodig hoor, Jan,’ zegt Peter. ‘Die bomen hier aan de waterkant hebben heus niet een mals stukje grond gezocht om hun eikeltjes in te laten vallen. Die zijn natuurlijk ergens anders geplant, opgegroeid en daarna hier naartoe gehaald en...’

‘En bedankt, jongens,’ valt Robbie hem in de rede. ‘Het gaat hier om de poëzie, om de achterliggende gedachten, zeg maar. Toch Niek? Nou ja, laat maar. Niet iedereen is van de kunst, maar dat mag de pret niet drukken.’

Niek pulkt met zijn linkerhand zijn Samsung uit zijn rechter broekzak. Elf uur. Zijn maten hebben morgen in de middag, of pas woensdag weer dienst. Hij moet morgenvroeg alweer het water op. En hij wil nog even kijken of er tussen zijn krabbels van de afgelopen dagen nog wat poëtisch te vinden is. Boven zijn hoofd wiegt haast onzichtbaar een van de kooien waarin de aapjes vroeger zaten om de gasten te vermaken. Vanachter dunne zwarte tralies kijken twee ebbenhouten oogjes hem angstig aan. In de hoek boven de bar hangt een poster van een mensaap die dreigend naar hem kijkt. De hoge ramen van het café beginnen te beslaan. Een rumoerige groep bonst op de deur, maar loopt voorbij. Snel werkt Niek zijn speciaalbiertje naar binnen. Hij wil opstaan, maar plotseling hangt Robbie met z’n hele gewicht tegen hem aan. Niek dondert verdorie bijna van z’n stoel.

‘He guys, hebben jullie het grote nieuws al gehoord? Ik heb vanmiddag witte rook gekregen. Ik mag iemand vervangen en ga dit jaar een van de boten van de sinterklaasintocht varen! Thuis is iedereen door het dolle heen.’

Jan slaat met zijn vuist op de schouw, die kraakt onder de impact van de inslag. ‘Sodemieter toch op, Rob. Wij gaan naar Weesp dit jaar[2].’

Robbie kijkt hem glimlachend aan. ‘Nou Jan, geen idee hoe iedereen er dit jaar weer uitziet. Ze verzinnen altijd weer wat anders. Maar zolang er niemand voor lijk aan de mast hangt, vaar ik die boot gewoon en komt deze papa live op AT5!’

Niek zwijgt. Hij kijkt naar Robbie en dan naar Jan. Je moet tegenwoordig toch oppassen met wat je zegt. Maar niet iedereen met een mening is gelijk een racist, of een verrader. Neem Jan, die mag dan misschien wel uitgesproken voorstander zijn, maar hij bedoelt het niet kwaad. Jan hielp hem wel mooi met zijn huis toen het water aan zijn lippen al kortsluiting begon te veroorzaken in zijn hoofd. Jans tuinman is bovendien gewoon een Marokkaan, dus een racist is hij niet. Jan staat Robbie nu al een paar seconde boos uitdagend aan te kijken. Niek maakt zich klaar om weg te gaan, voordat Jans woordenbombardement zal gaan losbarsten.

‘Mooi weer op de boot, jongens,’ roept Robbie opeens.

De groep vrouwen die daarstraks nog voor de deur stond te krijsen, stroomt nu naar binnen. Niek staart wezenloos naar de stevige color blocking banga’s, met hun paarse, roze of brandweerrode trainingsjasjes. Jan weet er wel raad mee.

‘He lovely, do you speak English?’

‘Wat did you say, honey?’ vraagt een glimmende Adidas.

‘I want to introduce you to Niek, Tourguide Amsterdam and famous canal poet. Doing also private tours, if you know what I mean, dus…! And this is Petertje, by the way, he recently became single husband.’

De hele vrijgezellenclub stort zich op de mannen. Een stevige zwarte legging kruipt op Nieks schoot. Een volgend rondje! Metalig geluid in zijn hoofd. Stemmen steken in zijn oren. Felle kleuren. Zijn trui kriebelt. De geur van toiletreiniger. Iemand schreeuwt dat hij naar huis moet. Zijn keel wordt dichtgeknepen. Happend naar adem duwt hij de double whammy van zich af. ‘Sorry jongens, Niek moet ervandoor. Bye Bye.’

 

 

Drie vrouwen

Nog tweeënhalf keer de grachten rond en dan drie dagen vaste grond onder de voeten.

Achter in de halfvolle boot hangt een kudde Engelsen, met een flinke lading drank achter het snotje, als kreupele gezelschapsdieren onderuitgezakt tegen elkaar. De Midden-Oosten kliek in het midden van de boot lijkt er niet van onder de indruk. Ontspannend leunend op de winkeltassen vol “P.C. Hooft basics” op hun schoot, nemen ze openluchtmuseum Amsterdam in zich op. Het kwartet violisten naast hen lijkt ook geen last te hebben van het rumoer. Vredig knikkend fantaseren ze over het verleden van de museale stad, met hun instrumenten als vers gevangen vis overdwars op het tafeltje tussen hen in. Voorin tenslotte, zitten drie dames van halverwege de veertig, die geconcentreerd luisteren naar de audioguide terwijl ze af en toe schalks naar elkaar kijken. Heel even snuift hij hun bloemige geur van lente en overzees fruit op.

‘Niek hier. Brouwersgracht – Haarlemmersluis.’

Onder de Haringpakkersbrug glijdt de in beton gegoten dichtregel links aan hem voorbij: weggaan is een soort van blijven[3]. Op iedere driedimensionale letter staan lege flessen wijn, sommige met gedoofde kaarsen erin.

De boot pruttelt het ruime sop op. In de dikke schemer doemt het mager verlichte lunapark voor fietsen op. De schuin omhooglopende metalen parkeerdekken van de bicycletteflat zweven boven het water. Honderden blinkende sturen steken boven de roestige roosterhekken uit. Het metalen zigzag bouwwerk trekt de aandacht van de passagiers. Gps-tourguide doet de rest. Kreten vanachter kaatsen door het ruim: ‘Wow, look at those bikes! Unbelievable! Crazy Dutchmen!’

niet de fietsen, maar de dansende lichtjes op het donkere water. licht dat de diepte lijkt in te duiken. licht, zoals…

Er komen even geen nieuwe lichtbeeldspraken in hem op. Radioactieve waterkevers, Philipsvisjes, Belgische snelwegsprookjes, ambulances zonder geluid[4], hij heeft het allemaal al eens opgeschreven, of wacht…

steeds als ik al die lichtjes op het water zie, vraag ik mij af of ze dansen als neonwaterspinnen of dat ze duiken als loden vuurvliegjes die op zoek naar duisternis doven.

Dit kan misschien wel de wereld in, mits hij er het juiste waterplaatje bij kan schieten. Maar hij moet voorzichtig zijn; Waternet heeft aangekondigd te gaan controleren op het gebruik van de telefoon.

De Brexiteers zetten het volume een tandje hoger nu: ‘Captain: sail us to the hookers, sail us to the hookers, bring us deep, deep into the red lights.’

Niek schudt het hoofd. Woensdagavond. Hij is blij dat het straks klaar is. Drie dagen vrij voor de boeg. Hij checkt zijn achteruitkijkspiegel. Niks aan het handje. Bij hem geen #metoo-gedoe aan boord.

Langzaam kruipt het Centraal Station in de verte voorbij. De paniekerige torentjes, de smalle hoge ramen en de spitse kapelletjes die eruit zien als kleine koekhuisjes geven de pompeuze treinkathedraal iets frivools. Maar Niek haat het gebouw, omdat het hem zijn vrije zicht over het IJ ontneemt. Gelukkig varen ze al bijna het Open Havenfront op. Weemoedig kijkt hij naar de ingekapselde oase aan ruimte en rust in deze krappe waterstad.

met een telescoop zoek ik de grachten af naar de vergezichten. ik kom thuis met een caleidoscopisch beeld van zeven keer boogbrugdoorzicht en met het Oosterdok, waar oog en wind Rotterdams vrij spel hebben. het is niet veel, maar…

Nee. De poëzie is er gewoon even niet. Het is ook te druk aan boord, bromt hij met gefronste wenkbrauwen in zichzelf. Het is niets voor niets het einde van zijn werkweek. En die drie leuke vrouwen achter hem helpen ook niet mee.

In de verte steekt het Scheepvaartmuseum als een lichtgrijze spookvesting uit het water omhoog. Niek ademt de oneindige lucht voorbij het museum in, met schemer en al. Het kalmeert hem maar gedeeltelijk, want hoewel in het ruim de rust is teruggekeerd, smoezelen de drie dames achter hem maar door. Allen nog maar één audio-oortje in, het andere dopje los bungelend langs de zijkant van hun borsten. Hun blikken kriebelen in zijn rug. Via de spiegel bespiedt hij ze. De kleinste, met een Hollands blond kort kapsel, kijkt met een sombere blik naar buiten en luistert naar de zwarte vrouw met het gestylede halflange haar. Haar ogen die de wereld tegemoet zeilen, kijken hem nu aan. Niek gaat snel rechtop zitten. Uit zijn ooghoeken ziet hij hoe de derde, met haar bruine krullen die vrolijk onder een groen retromutsje vandaan springen, zich naar haar vriendinnen toebuigt. Op verontwaardigde toon kauwt ze in het Amerikaans iets wat hij niet kan verstaan. Hij schrikt en duwt per ongeluk tegen het stuurpookje aan. Dat hese stemgeluid en die knauwende uithalen, dat is de stem van Inge!

Trillend checkt hij de situatie op het water en kijkt daarna bezorgd achterom. Gelukkig, Inge is nergens te zien, en niemand lijkt iets in de gaten te hebben. Hij kalmeert. Het is in orde, Niek, spreekt hij zichzelf in gedachten toe. Kijk nou naar ze, het zijn aardige, lieve vrouwen.

De drie vrouwen kletsen op rustigere toon door. Waar zouden ze het over hebben? Zouden ze alleen zijn, of struinen hun mannen nu over de Wallen? Hij haalt zijn schouders op. Wat maakt het uit? Z’n vlagvoering zal, zoals het er nu voorstaat, nooit casanoviaans zijn, maar toch neemt niemand hem de goede hoop af.

‘Niek hier, Oosterdok – Oudeschans.’

Omsloten door angstig hoge muren en verweerde bielzen, en bekeken door vier gebogen heftorenhoofden varen ze door de voormalige West-Indische Sluis. Onwillekeurig houdt hij zijn buik in. Aan stuurboordzijde bevindt zich de oude Jodenhoek, die achter de oude halsgevelpanden met de witte accenten verborgen ligt. De audioguide vertelt over de Portugese Joden die een van de eerste waren die naar het tolerante Amsterdam trokken omdat hier iedereen vrij was en ze konden zijn wie ze wilden zijn.

Een twinkelend giecheltje ontspringt achter hem. Hij kijkt even om, maar vrees voor ondiep water verstramt hem.

Kom op, Niek, spreekt hij zichzelf toe, terwijl hij schuin omhoog kijkt naar het eenzame torentje rechts van hem. Een dichtregel flits door zijn hoofd:

witte spits van de stapeltaart prikt de lucht lek

Dan schraapt de moed bij elkaar. Met de borst vooruit leunt hij zo losjes mogelijk achterover en haalt diep adem. De leuke drie kijken nu opeens zijn kant op. Hij zit alweer rechtop en kijkt als een reiger met een kikker in zijn keel verstijfd naar het water.

‘Niek hier. Sint Antoniesluis. Best wel mooi weer in de boot,’ fluistert hij met samengeknepen stem in de marifoon.

‘Rustig aan, Niek,’ klinkt de bemoedigende stem van een collega-schipper op het open kanaal.

 

Een kwartiertje later legt hij zijn boot voor een korte pauze aan de touwen bij zijn thuishaven. Nog twee vaartjes te gaan. De dure kleding en de violen worden naar buiten gedragen. Als Jut voor de kaakmand staart hij vanaf de steiger stiekem naar de kwetterende drie-eenheid die nog steeds in de boot zit. De zwarte vrouw veegt met een speelse beweging haar haren achter haar oren. Zouden ze weten dat de ronde erop zit? Hij dorst het ze niet te gaan vragen.

Terwijl de Engelsen luidruchtig de steiger opstappen blaast hij rillend van spanning zijn longen schoon. De vrouw met het retromutsje zwaait vanuit de boot naar hem en staat dan op. Zijn adem stokt. De anderen volgen. Ze stappen de boot af, ze zijn vlakbij. Zijn hart een slaventrom op drift nu. Dwangmatig zoekt hij in zijn hoofd naar dingen waar hij rustig van wordt; uitgestrekte berggezichten vanaf Zwitsers water, flarden van gedichtjes, de Rotte. Kom op, Niek, spreek ze aan zo meteen. Maar hij schudt onzichtbaar het hoofd. Een krabbend anker, dat is hij. Niemand vindt jou leuk, Niek, hoort hij weer tegen hem zeggen. Met de handen voor zijn buik opent hij op de tast zijn pakje Van Nelle en volgt bewegingloos vanuit de bovenkant van zijn ogen de drie dames. Ze lopen aan hem voorbij, hij snuift de geur van appelwijn op. Het is alsof hij tot z’n heupen in opdrogende modder is gezakt, alsof zijn mond vol modder zit. Opeens blijven ze staan.

‘Kunnen we je iets vragen?’ vragen ze in het Amerikaans.

De shag trilt uit zijn vloei. De vrouw met de vallende bruine krullen doet het woord, haar handen parmantig in de zij geplant. De twee anderen houden zich van dichtbij afzijdig.

‘Hoi. Mijn naam is Charlotte,’ zegt ze in zangerig Nederlands. ‘Ik heb tot mijn twaalfde in Nederland gewoond en ben hier nu een weekje op bezoek met mijn twee Amerikaanse vriendinnen. Ze willen graag weten waarom er in jullie tour niks verteld wordt over de slavenhandel. Nederland was daar ooit toch de grootste in?’

Niek speurt de door neon en straatlantaarns verlichte stadslucht af. Er trekt een warme golfstroom door hem heen. Wat was haar openingsvraag ook al weer? O ja, slaven in Amsterdam.

‘Slaven?’ stottert hij. In zijn hoofd is het mistig. ‘Wat bedoelt u? Nee, nee, in Amsterdam zijn er nooit slaven aan het werk geweest. Dat speelde zich enkel af in Suriname en Curaçao.’

‘Sorry schipper…,’ ze buigt zich voorover en bekijkt zijn badge, ‘…Niek. Ik bedoel het koloniale verleden van de familie Bicker, van dat eiland waar over verteld werd, die waren toch eigenaar van tientallen slavenschepen. Waarom horen we daar niks over op jouw boot[5]?’

Vurige en vragende blikken, nu ook van de twee andere vrouwen. Zijn hartslag loeft verder op. Hij probeert zichzelf in toom te houden. Charlotte stelt hem een serieuze vraag. Het antwoord lijkt simpel: omdat de meeste toeristen daar niet op zitten te wachten. Maar wat wil ze horen?

Net nu hij wil antwoorden dat hij de audio-tourteksten niet zelf inspreekt, draait Charlotte haar hoofd opzij en overlegt in onnavolgbaar snel Amerikaans met de twee anderen, die nu verlegen van hem wegkijken. Hij rolt een nieuwe peuk, terwijl hij de ander leeg trekt met de naar binnen gekeerde kracht van de wervelstorm die door zijn kop raast, maar het kalmeert hem nauwelijks.

Kom op, Niek, vraag het ze, spreekt hij zichzelf in zijn hoofd toe. Die vriendinnen kijken niet voor niets naar je. Open je mond, Niek.

‘Weten jullie, uhm, weten jullie misschien dat ik ook gids ben. I-tourguide-Niek-Amsterdam. Zou ik jullie misschien mogen… hebben jullie misschien tijd om straks… willen jullie eventueel na mijn laatste vaartje, met mij de stad verder te bekijken? Dan kunnen we dieper op de vraag ingaan.’

Het praten ontspant zijn heupen. De wind gaat wat liggen. Je deed het, Niek! Trots op zichzelf kijkt hij schuins naar de vriendinnen. Ze glimlachen, toch? De steiger wiegt hun vieren. Waar kijken ze naar? Geen knipoog, geen blink? Waar gaan ze heen? Arm in arm lopen de drie bij hem vandaan. Hij blijft ze nakijken tot ze uit het zicht zijn. Dan druipt hij af, terug zijn drijvende hok in.

 

Gebogen loopt hij met snelle passen door het construct van straten en kanalen dat een donker gewaad over zich heen heeft getrokken. Zijn vuisten, verstopt in zijn zakken, duwen tegen zijn zwevende rib. De drie vriendinnen van daarstraks zijn er nog steeds, in zijn hoofd. Natuurlijk, hij had spontaner moeten reageren. Of misschien toch inhoudelijker, want hij kent de teksten van de tourguide maar al te goed. Zouden ze hebben gevonden dat de tourguide niet volledig was, dat het meer marketingslogans waren, dan de echte geschiedenis? Zoiets had hij wel een vaker gehoord. Of kwam het daar niet door? Dachten ze dat hij er geld voor wilde hebben? Of twijfelden ze aan zijn Engels? Er was een klik, het knetterde zelfs een heel klein beetje tussen hem en die drie, daar is hij zeker van. Och, als hij toch eens vol aan de wind durfde te varen, of een grachtengedichtje kon declameren op zo’n moment, of beter nog, als hij de dames een boekje met zijn eigen poëzie, vertaald en wel, in hun handen had kunnen drukken. Hij schudt het hoofd. Hij zou het nooit kunnen. Hij heeft nu al buikpijn.

Hij is bijna thuis. Aan de overkant van het water steekt zijn woontoren stram de lucht in. De kleine studio’s zijn stuk voor stuk uitgerust met een wit buitenboordhekje en bijbehorend zonnig placebobalkonnetje. Op een bankje aan de kade gaat hij zitten, pakt zijn dummy en schrijft op:

ik mis het water waar we samen langs lopen. Ik mis het samen langs het water lopen. Ik mis het water, niet het varen laten…

De volgende keer gaat hij in Jan-liners antwoord geven en over niet al te lange tijd gaat hij grachtenpoëzie voordragen in de boot, tenminste, als het hem lukt. De tijd van afgescheept worden na een praatje moet in ieder geval echt voorbij zijn. Vanaf nu klampt hij ze gewoon aan boord, vist hij ze direct de boter in, hengelt hij ze Robbiaans met schwung een conversatie in, zet hij met een poëtische vonk de boel in lichterlaaie. Maar hij schudt het hoofd alweer en krabt zenuwachtig aan zijn kalende hoofd. Een bibberende trekvogel die vastgevroren zit een vijver, dat is hij. Je moet eerlijk zijn, Niek, bijt hij zichzelf toe. Jij durft niet hoger dan de mast te klimmen, jij niet. Jij durft geeneens gedichtjes voor te dragen. In Witte de With heb je het ooit een keer half gedaan en nog een keertje in de Poetsclub, met knieën vol water. Applaus kwam er niet. Heel misschien waren er een paar povere poëten die bezweken onder het overgewicht van hun taal, die zeiden dat ze je wel aardig vonden, terwijl je al op weg naar de uitgang was.

Opeens is hij Robbie intens dankbaar. Dankzij hem heeft hij Facebook leren kennen en kan hij naar buiten treden met zijn versjes. Weliswaar slechts met smartphonegedichtjes, maar toch, het is voor hem een weg naar buiten. Zonder dat digitale podium zou hij geen reden hebben gehad om weer te gaan schijven.

Zijn blik zeilt over het Oosterdok, klautert aan de overkant op het droge, kruipt de kade over, marcheert de stoep op en klimt zuignappend tegen de grijze muur omhoog tot hij bij zijn studio is, waar hij, zich optrekkend aan het hekje, naar binnen kijkt – er is niemand thuis. Gelukkig . [6]

 

 

5. Pietenbooot (dit hoofdstuk eventueel iets naar achteren)

‘Love, exciting and new…’ Naast hem op de huiskamerbarkruk klinkt een gezongen ringtoon. Het is alweer een week en een dag geleden dat de drie vrouwen er bij de kant vandoor gingen. Buiten broeit er een legendarische eind november lentedag. Met zijn vijftigersbuikje, verborgen achter de vergrijsde coulissen van zijn zwarte slaap T-shirt, hangt hij tegen zijn balkonhekje. ‘… Come aboard. We’re expecting you....’

Waarom zou Jan hem nu bellen? ‘Met Niek hier. Moment Jan.’ Snel schrijft hij op:

surrealistisch warme lucht blaast zichzelf over eind november herfstwater heen

‘Dag Jan. Alles wel schipper?’

‘Niekus. Jij moet mij een gunst doen en morgenmiddag mijn roer overnemen.’

Morgenmiddag… Niek blaast een geveinsde rookwolk het toestel in en schudt langzaam het hoofd. ‘Sorry Jan, dat kan ik niet. Twee dagen onrustig weekendwater is mij echt te veel.’

Even klinkt er een zwijgend gerochel. ‘We gaan onze maten toch niet in steek laten, Niek?’

‘Die drukte enzo, Jan. Je weet het toch. Ik ben er gewoon weinig van en ik moet mijzelf in acht nemen. Op zaterdag moet ik mijn kop leeghouden, anders red ik de zondag niet.’

Jan laat een Jan-vreemde stilte vallen, maar niet voor lang: ‘Niek, luister. Het gaat hier om een knap schuitje dat jij niet wil missen. Jaren 20-30. De standaard hoef jij niet te varen. Je kunt een lekker rustig watertje pakken. Acht, negen passagiers, die door hun eigen gids aan het handje worden meegenomen. Het enige dat jij hoeft te doen, is zorgen dat het sloepie drijven blijft.’ Niek richt zijn blik letterlijk naar binnen. Witte muren, twee rechthoekige zwarte stoelen en een tafel op stevige poten om gedichtjes uit te vogelen, een retro tweezits voor zijn jas en twee Bauhaus barkrukken om op te zitten als hij zijn afhaalmaaltijd naar binnen werkt. De rest heeft hij jaren geleden in de Rotte laten drijven. Hier, in de geruisloze rust van zijn huurhuisje op hoogte voelt hij zich een stuk meer op zijn gemak dan op het zaterdagse water. ‘Luister, even onder ons, Niek, het draait hier echt om een noodgevalletje. Ik schijn die Zaanse van mij een verjaardaglunch te hebben beloofd. Je weet hoe ze zijn, gozer. Jij moet mij de brand uit helpen. En trouwens, het is niet slecht betaald. Een meier, schoon in het handje.’

Nieks blik ontsnapt naar buiten. De lucht ziet hij, de daken zoals kinderen ze tekenen, de stakerige bladloze bomen, de bewandelde kade, de blinkende plas. Water, het trekt, het trekt altijd. Afgelopen juli was hij voor het laatst op een zaterdag het water opgegaan, ook voor een noodgevalletje. Van de eerste vaartjes die dag kan hij zich nog herinneren dat het steeds drukker op het water werd, daarna hadden er mensen vragen gesteld over een van de grachtenpanden en daarna… hij heeft geen idee hoe hij thuis is gekomen die dag. Hij rilt. Maar nu is het november. En de watershow van Sinterklaas van afgelopen zondag heeft hij ook overleeft. Met moeite, maar Robbie hield hem op de hoogte zodat hij de drukte kon omzeilen. Nee, hij moet eerlijk zijn, zolang hij niet vol aan de wind hoeft te varen is het niet zo erg en mag je je maten nu voor eigen riemen laten drijven.

‘Oké, Jan. Ik denk dat ik het wel kan.’

‘Zo ken ik je weer, Niek. Tegen de tijd dat jij de boel weer op de kade hebt staan, ben ik van moeder de vrouw verlost en trakteer ik jou op een biertje in Het Apie. En Niekie, dan gaan we er dan dus niet weer sneaky van tussen, hè. Tot morgenmiddag!’

 

Jan had niets te veel gezegd. Een sluiper van een sloepje[7]. Magere boeg, Javaans teakhouten opbouw. Het zou zomaar het mooie zusje geweest kunnen zijn van het woonsloepje waar hij met Inge in Rotterdam op verbleef. Als hij naar binnen gaat zijn schippersbloed de waterval af. Het fijne art-deco houtsnijwerk, het fraai gedecoreerde toiletdeurtje, de netjes weggewerkte warmeluchtvloerverwarming en - niet onbelangrijk - een minikeuken met modern-klassiek espressoapparaat. Vingertopgewijs glijdt zijn hand stroomafwaarts over het plüsch van de banken. De zachtheid die hij voelt, het past dit bootje.

Stomend water wurmt zich door een Nespresso-cup heen. De witte ontbijtbordgrote klok - die dan wel weer in de Ikea lijkt te zijn opgeduikeld - zegt hem dat hij de trossen nu zou moeten losgooien. De lading echter, heeft het tij blijkbaar tegen.

Met een bakkie verse pleur en een peuk op de wal neemt Niek de tijd voor het kordate zonnetje om hem kunnen beschijnen. Vanaf de overzijde van de gracht kijkt de vroegere Prinsenhof hem aan. Tegenwoordig is het een hostel voor de betoefden, weet hij, compleet met vijfsterren en gefort door een niet oorspronkelijke plastische voorgevel in de expressionistische natuursteenstijl van de Amsterdamse school.

Hij stapt het water weer op en neemt nu als een kleuter in een graafmachine plaats in het schippersgedeelte van het notarisbootje. Zijn handen strelen het gladgeschuurde antieke stuurhout. Het slotje van de delicate halshanger van zijn stiefmoeder indachtig, draait hij het contactsleuteltje voorzicht om. Het ontkoppelde mechaniek zoemt liefkozend. De Oudezijds Voorburggracht, die als een gewillige oude dame onder hem ligt, begint voorzichtig te rimpelen.

jaren twintig boom drijft in gouden riool. een neuriënde man in onderbroek loopt langs de fourniturenzaak. hij…

Een opgewekte stem haalt hem uit zijn dichterlijke gedachten. ‘Hoi. Ben jij onze schipper vandaag? Ik ben Jain.’ Een zwarte vrouw met langwerpige oorbellen onthult haar ogen die hem aankijken als zoeklichten, daalt het trapje af. Met haar ene hand plant ze haar fraaibizarre oversized zonnebril in haar haar korte kroes en met de andere geeft ze hem een belangstellende hand.

‘Niek hier. Welkom aan boord, mevrouw.’ Achter haar aan loopt een zevental veertigers in ganzenpas vanaf de kade het dek op. De eerste twee, een stel van rond de veertig. Haar dikke glimmende zwarte krullen vallen over haar okerblauwe schoudervullingen heen. Hij, de schaduwzijde van het stel, kijkt hem met zijn droevige vissenogen even onderzoekend aan. De twee volgende zijn opnieuw een stel. Of zouden het broer en zus zijn? Nee, het dunne slaphangende bruine haar, dat door de donkerblauwe capuchon van haar houtje-touwtje jas wordt gevangen, lijkt nou niet bepaald als twee druppels water op zijn bruine sprieten, die door een straffe kam onsuccesvol platgebonjourd zijn. Het derde stel bestaat uit een gespierd raspaard, met serieuze trekken in zijn kortgeschoren zwarte hoofd, die net als zijn staafmagere vriendin regelmatig naar de wenkbrauwwaxbar gaat. De laatste gast van Jain is een kleine, geheel in zwart geklede, zichzelf een beetje verstoppende vrouw. Met haar zachte stem zegt ze onverstaanbaar haar naam. Haar verlegenheid werkt aanstekelijk, maar gelukkig loopt ze al snel door, achter de anderen aan, naar de kajuit waar iedereen rond de opklapbare salontafel plaatsneemt.

Hij klimt naar boven, maakt de touwen los, onderwijl luisterend hoe Jain benedendeks de leiding neemt, die van een tourguide verwacht mag worden: ‘Jullie hebben allemaal een plekje, goed zo. En Niek, kun jij je misschien even voorstellen aan mijn gasten? … Niek?’

Snel daalt hij het trapje weer af. ‘Ja. Niek hierzo. Welkom aan boord van dit prachtige salonsloepje, bouwjaar omme nabij de jaren 1920, 1930.’

De jongen met de bruine sprieten en met z’n een halflange liberale lakjas nog aan, steekt zijn vinger zowat het plafond in: ‘Mooi bootje, man. Is hij van jezelf?’ Voor Niek kan antwoorden palavert het joch al verder. ‘Ik denk te weten dat jouw sloepje in 1913 gebouwd is, misschien een jaartje eerder, in ieder geval vlak voor de eerste wereldoorlog. In die tijd werden er veel van dit soort schuitjes “pour les riches” bestelt. Ik doe, voornamelijk hobby-achtig hoor, in bootjes, hoofdzakelijk via een soort marktplaats voor alles wat drijft. Geen vetpot hoor, maar ik weet de juweeltjes er vaak wel uit te pikken, dus ik mag niet klagen, we kunnen er aardig van op vakantie. Als iemand dus geval vragen heeft over bootjes dan kun je bij …’

‘Arthur,’ snoert Jain hem de mond, ‘ik wil dit onderwerp graag laten rusten, zodat Niek kan afronden en we onze tour op het water kunnen vervolgen.’

‘Wat ik nog wilde zeggen …’ gaat Arthur verder…, maar Niek maakt zijn verhaal af:

‘Mevrouw Jain is jullie gids. Ik zal mijn best doen om iedereen weer droog op de wal te zetten. Behouden vaart allemaal.’

Hij draait zich om en mag het bootje dan eindelijk in beweging zetten. ‘Niek hier. Ik vaar.’

Langzaam glijdt het watersierraad door de Oudezijds Voorburgwal. Haar zoemende sirenezang maakt dat hij verliefd-dicht tegen het teakhout aanleunt. Wat een heerlijke dag is dit en wat is hij Jan dankbaar en wat is hij trots op zichzelf dat hij sterker is geweest dan zichzelf.

de stad op zaterdag, een krappe sloot tjokvol eendjes, behalve hier …

Hij probeert Jains stemgeluid te negeren.

het stadswater op zaterdag is een sloot vol kweektilapia gevoerd door eettentjes. Maar hier, niets van dat alles. de oude zijde van de waterstad wordt ontsloten door dunne grachtengangen die onzichtbare grenzen trekken met wachters die niet iedereen welkom heten. dit zie ik en ik …

Zwarte slaven op gevelstenen? Verzwegen geschiedenis? Waar heeft die Jain het in hemelsnaam over? Hij kijkt achterom. Oh nee, in plaats van naar alles te kijken wat deze oude stad hun verwende toeristische ogen voorschotelt, staren de passagiers nu krampachtig naar iets kleins dat Jain krampachtig staat aan te wijzen. En ondertussen maar vertellen en vertellen. Moren op gevelstenen? Die mensen hebben echt geen verrekijkers bij zich, Jain!

‘Ietsjes langzamer, schipper. Kun je achteruitvaren, Niek? We willen dat pand daar nog even zien.’

de stand-in tourguide wijst schuin naar achteren. ‘Zien jullie Tromp daar? De zoon van de beroemde VOC-zeeheld?’

‘Wie? Trump?’

‘Nu weer ietsjes terug naar voren, Niek.’

Hij voelt de zenuwen in zijn zweetklieren. De processie van Echternach doen ze maar op de wal. Hij is de heen- en weerwolf niet.

‘Nee, Tromp. Hij gebruikte regelmatig schepen van De Republiek om er illegale handelsmissies mee te uit te voeren. Op een van die gedoogde zelfverrijkingsreizen kwam hij terug met een zwarte knaap. Die jongen, die staat daar, naast Tromp, als bediende afgebeeld. De Oranjegezinde Tromp werd ondanks alles Admiraal van de vloot van de Zeven Provinciën, de voorloper van ...’

Gelukkig. De Oude Kerk. Open water is aanstaande. Niet dat hij niet geniet van deze oude gracht, maar zonder van tijd tot tijd het ruimzicht van open water, zou hij al snel in de neer zitten.

‘Schipper, wacht even.’

Wat nu weer? Hij gaat echt niet nog eens achteruitvaren. Als dit zo doorgaat wordt het een zeezieke middag zonder watergedichtjes.

‘Hier, onder deze kerk liggen 2500 mensen begraven. Eén van hen is de vrijgemaakte Surinaamse tot slaaf gemaakte Beeldsnijder. Door zijn vader werd hij op z’n tweede vrijgekocht, in 1781. Hij leefde …’

Hij moet het toegeven. Hij dacht dat hij alles wel wist over die kerk. Niet dus. Maar waarom ontvouwt Jain dit allemaal, waarom zet ze haar welbespraaktheid niet in, om de Oude Kerk zelf in het zonnetje te zetten. Het is notabene een van de twee enige intact gebleven gotische kerken van Amsterdam. En het oudste gebouw van Amsterdam. En vroeger droeg de kerk de naam van de patroon van de zeelieden, voor een havenstad als Amsterdam niet onbelangrijk. Kijk dan hoe mooi die hoge ramen kraanachtig rijken tot aan de trotse glooiende spitsbogen hoog boven de stad.

Langzaam drijven ze verder. Dit snuisterijrijke sloepje, hij blijft het vinden, is van een kwetsbare schoonheid. Straks gaat hij Jan zeker bedanken. Met die meier die hem te wachten staat zal hij eens goed gaan trakteren.

‘Niek hier. In het mooiste schuitje van de dag. Oudezijdse Kolk richting Havenfront.’

Eindelijk weg bij die gevelstenen met hun dansende, expressief gedecoreerde buitenlanders.

‘Links voor je ligt het Centraal Station. Denk het station weg en probeer je de Zuiderzee voor te stellen. Tientallen Galjoenen, Hoekers, Barken en Fregatten liggen er afgemeerd, de masten hoog de lucht in.’

Goed zo, Jain. Niek denkt aan de trotse schilderijen, met de Hollandse luchten, de gebolde zeilen en het schuimend water.

‘Hollandse Kapiteins als Hagerop, Schrijver, Winia, Ewaldus of Smit struinden de wal, op zoek naar manschappen en bevoorrading. Wekenlang zijn ze in de weer om de driehoeksvaart voor te bereiden die Amsterdam zo rijk heeft gemaakt. De Fregatten werden bevoorraad met kralen, gekleurd linnen, afgekeurde musketten, drank …’

Ewaldus? Hoorde hij dat nu goed? Niek draait zich om. ‘Jain?’ maar Jain laat zich niet onderbreken.

… om na een jaar weer terug te keren met een schip vol suiker, koffie, tabak, goud en ivoor.’ Even is ze stil. De passagier kijken naar het watertafereel, proberen zich, zoals alle toeristen in deze stad, een voorstelling te maken van het oudhollandse watertafereel.

‘Niek, kun je naar rechts varen?’

‘Aan jullie rechterhand, in de Schreierstoren, bevindt zich het VOC-café.’

Hij knikt. Hij heeft Jain onderschat. Ze ligt op koers nu. Langs de oudste waterchinees van Europa varen ze. Daar zwijgt ze over, dat kan. Morgen mag hij weer het normale water op. Hij verheugt zich al op het eerste zondagochtend vaartje, zijn eigen weekdienst van rust op het water. Vanavond gaat hij nog wat aantekeningen uitwerken. De grachten in gedichtjes. En, stel dat hij het voor elkaar krijgt om er echte gedichten van te maken, en om er een boekje van te maken, stel dat, dan kan hij ze misschien ook wel laten vertalen en ze meegeven aan de toeristen op zijn boot. Authentieke gedichten door schipper Tourguide Niek-I-Amsterdam. Misschien kan de baas er zelfs wel een cellofaantje omheen wikkelen en het bundeltje als relatiegeschenkje bij het kerstpakket van volgend jaar stoppen. Maar vrijwel direct schudt hij het hoofd. Achterdeurcommunicatie, zo had ze zijn poëzie genoemd, meer waren zijn schrijfsels niet. Voer je zeil nou maar niet hoger dan je mast lang is, Niek. Dat hij op facebook zit, daar mag hij al trots op zijn. Soms krijgt hij zelfs best wat likes bij zijn versjes, ook van mensen die hij totaal niet kent, maar hij weet ook dat er trollen actief zijn op de sociale media, die te pas en te onpas hun duim in de lucht steken. En toch, toch denkt hij er al stiekem aan om ook ooit nog eens een twitteraccount te openen, maar dat gaat hij nu nog niet door de scheepstoeter schreeuwen.

Hij staart naar de geconserveerde oude panden langs de Prins Hendrikkade.

zilvervloot nu zilvervisjes. Ik vraag mij af, of als ik mijn hand in water stop, mijn vingers in het verleden zijn. back to the future, maar dan andersom, als een doosje verkoolde lucifersdoosjes die weer keurig met de zwavelkopjes aan de juiste…

‘Aan jullie rechterhand, links naast de brug, ligt het West-Indisch pakhuis, de vroegere hoofdzetel van de WIC, de West-Indische Compagnie. Als je goed kijkt zie je rechtsboven het jaartal 1642 staan. Dat is niet alleen het jaar dat Rembrand zijn nachtwacht voltooide, maar ook het jaar dat dat pand werd voltooid en in gebruik genomen door de WIC, die het staatmonopolie had op de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. Met het logo dat je daar ziet werden gevangen genomen mensen gebrandmerkt, voordat ze …[8]

Niek staart naar de grijsblauwe luiken van het pakhuis. In zijn gedachten ziet hij koeien als paarden steigeren terwijl ze roodgloeiende boerenlogo’s in de dijen gedrukt krijgen. Roetgeur van brandend vlees dringt zich aan hem op, kippendijen die dichtschroeien, verkoolde vleesresten op een barbecuerooster, sidderend mensenvlees. Hij rilt. Misselijk luistert hij naar een holle metalen echo die hij probeert thuis te brengen.

‘Niek? … Niek?’ Hij hoort Jain en hij knikt. ‘Vaar maar naar links, Niek. Richting het scheepsvaartmuseum.’ Jain trekt hem weg bij de schroeiende gedachte en zet hem weer met beide benen terug in het waterpareltje. Ze zetten koers richting het voormalig magazijn van de oorlogsvloot. Het water is rustig hier. Even werpt hij een blik op zijn kleine huurappartementje in de verte, op de bovenste verdieping van een van de namaakpakhuizen. Hoelang zijn ze nu eigenlijk al helemaal aan het varen? Een dikke drie kwartier? Concentreer je maar op jezelf, Niek. En op je versjes.

open water is geurloos, je uitzicht een Thaise zeemansmassage. het lichaam …

‘Schipper Niek, kun je iets links hier. Even tot voorbij de replica van het VOC-schip?’

‘Ja ja.’ Voorzichtig vaart hij langs de boeg van De Amsterdam, drijvend pronkstuk van het maritiem museum, tot bijna onder de bek van de brullende leeuw met z’n oranje krullen.

‘Ja. Leg hem hier maar even stil, Niek.’

Jain wijst naar het stoomschip, dat aan de andere kant van de steiger ligt afgemeerd. Wat gaat ze nu weer doen? ‘Wie herkent die boot?’ Niek snapt het en voelt direct het enthousiasme door zijn aderen suizen. Verbaasd kijkt hij om naar zijn zwijgende passagiers. Weten die het echt niet? Nog even houdt hij zijn geestdrift binnen, maar dan breekt zijn dijk.

‘De stoomboot natuurlijk!’ roept hij uit, ‘er passen wel honderd pieten in!’ Nog steeds blijft het stil in het ruim. ‘Niet dan? Ik heb vier jaar geleden toch zeker zelf meegevaren. Niet op die boot, maar op een van de hulppietenboten, een sloepje ongeveer zo groot als deze. Twaalf had ik er aan boord, mooi geschminkt, vrolijke witte pluimen en kragen die prachtig kleurden bij de roodzwarte pakken en felgekleurde baretten en de gouden gespen. En een drukte op de gracht, man, niet normaal. Zes jute zakken hadden we bij ons, tot de nok toe gevuld met kruidnoten en suikergoed. Echt, als jullie het nog niet hebben gezien, dan moet je volgend jaar echt nog eens komen in het weekend van de Amsterdamse intocht…’ Heel even valt hij stil. ‘Oké, ik moet, ik moet eerlijk bekennen dat ik, dat ik het eigenlijk niet had moeten doen. Het leek de Koninginnedag op het water wel. Haringen bijtend in elkaars staarten. Het was mij eigenlijk te benauwend. Ik bedoel, als het ergens vol is met mensen, dan, ik bedoel, er is altijd mensen geweest die mij altijd verzekerd hebben dat ik mij uit de weg moet maken als er veel mensen zijn, dat het gevaarlijk is, dat mensen heel naar over mij denken en mij dan willen vertrappen, of niet echt, maar, ik voel ik mij dan soms… , ja, ik weet het ook niet… ik…’

Nieks handen trillen.

‘Het is goed zo, Niek. Dank je.’ De moederlijke warmte in Jains stem kalmeert hem een beetje. Ze staat op en duwt hem heel lichtjes terug naar het stuurwiel. Niek draait zich houterig om en laat het sloepje langzaam bij het gerepliceerde schip vandaan pruttelen.

‘Concentreer je maar op het water, Niek,’ zegt hij hardop tegen zichzelf, terwijl er achter hem een discussie losbrandt. Slikkend kijkt hij naar het water waar kleine golfjes op dansen. Heel even denkt hij aan dat magische moment van vroeger, als er pepernoten de huiskamer in werden gesmeten nadat de langspeelplaat met sinterklaasliedjes was opgezet. En aan het boek van Otje en Netje, dat zijn pleegmoeder voorlas aan de haar eigen kinderen, waar hij dan stiekem ook bij mocht zitten.

 

Na een lange gracht is het weer rustig achter hem. Nieks gedachten en ogen dwalen af naar het wateroppervlak.

lazers op zonne-energie wringen zich tussen het altijd-anders water door. zilvervisjes verschijnen weer. nooit vragen ze of ze welkom zijn, noch of ik tijd heb. als ik moe ben komen ze minder vaak. misschien zouden ze dan juist …

Het lukt hem niet om tot iets goeds te komen. Het liefst zou hij de boot nu aan de ketting leggen en op huis aan gaan. Of nee, het liefst zou hij nu de Maas op drijven, op een lang schip, in complete rust. Hij mist de landschappen. Hij mist de ruwe lading. Wat had hij allemaal wel niet verscheept dwars door het rivierenland. Kolen, buizen, bieten, bulk. Overslag met plastic, kleding, kabels, schoenen, made in China, geen idee. Lading. Werk. Containers als black box. Maar de zinvolle bijdrage aan de handel, de laadbakken, de onregelmatige lange dagen - het is allemaal verleden tijd. Tegenwoordig bestaat zijn lading uit gewillige toeristen, makke slaven gevangengenomen door het I-Amsterdam-net van museale openluchtverleiding, AirB&B en budgetairlines. En hij mag van geluk spreken dat het schipperstekort hier zo groot is dat hij iedere dag het water op zou kunnen voor de baas. Maar vier dagen per week vindt hij wel genoeg. Zo houdt hij ruimte over om, zoals vandaag, een extra vaartje te pakken als hij daarmee zijn maten kan helpen, als die het roer niet zelf kunnen voeren. Ja, het is eigenlijk best goed toeven hier op de gracht. Nooit meer wachten op een nieuwe lading. Lange tijd is er hier geen eenzaamheid geweest die z’n ra lamschiet, geen onregelmatigheid die z’n roer afbreekt. En altijd bereik om zijn gedichtjes op Facebook te zetten, eigen werk dat hij, als het goed genoeg is en als hij het durft, misschien ooit in het echt zal gaan voordragen.

Jain tikt hem op de schouder. Hij schrikt op uit zijn gedachten. ‘Niek, kun je straks bij de Spiegelgracht linksaf en dan daar aanleggen bij het museum?’

‘Het Rijks? Bij de steiger aan de Stadhouderskade?’

Jain knikt. Niek knikt.

‘Niek hier. Wetering - Stadhouders.’

Vijftig meter voor hem ligt de houten steiger van collega Stromma, waar hij zijn passagiers zo voor het megalomane, op Katholiek-Kathedralistische leest geschroeide Rijksmuseum aan de wal kan zetten. Even kijkt hij over zijn schouder naar Jain. De minuscule ringetjes die als regendruppels aan haar oren hangen, dansen blinkend in het ruim. Hij moet eerlijk zijn. Ze heeft verstand van haar werk en ze is een geboren spreker. Als een collega tourguide je zo weet te verrassen, dan is ze geen dekmatroos, maar dan houdt ze het helmhout.

De torenklok glimlacht naar hem. ‘We zijn er.’ Als eerste springt het betweterige bootjesjoch de wal op. Iedereen volgt. Jain bedankt hem. Als laatste stapt de teruggetrokken temide vrouw uit. Heel even kijkt hij naar haar slanke donkere gezicht, met die kleine priemoogjes. Haar hals zit verborgen in een grijze, ragfijn gebreide sjaal. Ze steekt haar hand voorzichtig naar hem uit en geeft hem twintig euro. ‘Namens ons gezelschap, dank je, dat je ons weer droog op de wal hebt gezet, schipper. En dank je voor je eerlijkheid.’ Een klein lachje tingelt ergens diep in haar keel, daar waar haar honingzachte stem ontspringt.

Hij bedankt haar binnensmonds, maar echt het zeil optrekken durft hij niet. Onhandig propt hij het blauwe biljet in zijn achterzak en loopt terug zijn stuurkooi in.

 

Als hij terug op de Oudezijds is en de salonboot overdraagt aan een man van de rederij, klinkt er een echoënd geluid dat ergens van binnen in het kleine schip komt, alsof er iemand met een miniatuur sloophamer op de romp van een metalen schip staat te rammen. Hij daalt het trapje nog een keer af en zoekt tevergeefs in het ruim. Het Ikeaklokje geeft aan dat het inmiddels vier uur is. Waar is hij geweest met zijn gedachten? Hij heeft geen idee meer door welke water

Dichtbundel "De patroon van het huis"

Enkele gedichten uit deze bundel:

 

Einmal ist Keinmal

 

Met de traagheid waarmee

de beelden van een videoband slijten

wordt de toekomst zichtbaar.

 

Als ik opsta wil ik alles terug vinden.

Voor ik ga slapen ruim ik alles op.

 

Een pluizige klit uitgevallen haren

in het lege pak houdbare melk.

Ik trek binnen aan en stoot buiten af.

Om vruchtbare grond zal gevochten worden.

 

Op de plek waar mijn nagels het behang niet krabden

turf ik de dagen. De dag dat ik de sleutel opvrat

is de leegte voor de eerste verticale kras.

 

Ik kies verleden.

Als de wekker gaat, weet ik dat ik moet eten.

 

Na drie maanden ben ik verder gekomen

dan denken dat alles zich herhalen zal.

Ik zie dingen.

 

De rotte appel in de fruitschaal

op de trui die ik al weken aan heb,

blijkt een gezicht te zijn

dat alsmaar naar mij kijkt.

 

(Uit De Patroon van het huis, 2011)

 

 

De patroon van het huis

 

Ik ben de patroon van dit huis

wat ik verwacht ligt op een dienblad klaar

er is niemand die het tot zich neemt

alleen een man zonder pyjama

die geen idee heeft hoe laat het is.

 

Ruis van buiten weet ik te voorkomen

mijn gezicht doet niet ter zake

er is niets dat hier gezegd wordt

en er is niets dat ik niet weet.

 

In de hoek van de kamer, tussen schalen

van een ei, is een huisdier gegroeid, dat

nu de trek voorbij gaat, de buik tegen

het raam duwt en zeehondengeluiden maakt.

 

In de tuin zet ik de messen aan.

 

(Uit De Patroon van het huis, 2011)

 

 

Dorp op de berg

 

In woorden die ik kies

in het chagrijn dat soms opduikt

in de reden dat ik ben waar ik ook ben

 

je bent de hoek van het café, de

schaduw van de dag, de kern van

de oude aan elkaar gegroeide stad.

 

Ik neem je argwaan voor wat er

niet vertrouwd uitziet voor lief.

Ik voed de rengelaote aan mijn kind

en slinger honing uit de taal

die je in mijn geheugen vindt.

 

Ik ben de berg afgedaald

maar keer steeds terug om te weten wie ik ben.

Beloof dat ik altijd mag komen.

Beloof me, dat ik welkom ben.

 

(Uit De Patroon van het huis, 2011)

 

 

Overwoekerd

 

Het hoofd gevuld met aarde aangestampt

de armen over elkaar de krijger ontvochten

de zoeker ontzocht maar niet gevonden.

 

Er was een moment van willen uitbreken

maar alles is hek

en de angst groter dan gaten in de gedachten.

 

In de tuin, onder de bevroren appelboom

op het geroeste handvat van de hegschaar

de veren vergrijsd, de kop in de nek

zit de trekvogel, die, als ik op het raam klop

het hoofd schudt.

 

(Uit De Patroon van het huis, 2011)

 

Bio

Korte Bio

Sander Koolwijk is dichter en schrijver. In 2005 werd hij Nederlands Kampioen Poetryslam. In datzelfde jaar debuteerde hij bij uitgeverij Holland met zijn dichtbundel “Onder Dak”, in de befaamde Windroosreeks. In 2011 verscheen zijn tweede bundel “de patroon van het huis”. Sindsdien publiceerde hij ook in vele bloemlezingen en tijdschriften, werkte als dichter voor onder andere radio en congressen, deed mee met het WK poetryslam op het . Eerder bracht hij al de goed ontvangen dichtbundel "Bergstraat 55" uit in de bergsportwereld. Ook schreef hij een roman over een megalomane architecte die het foute vastgoed in gaat om haar bizarre creaties te kunnen voltooien. twee jaar geleden kwam hij op de shortlist van de verhalenwedstrijd Amsterdam Nieuw West. De uitreiking laat vanwege corona nog op zich wachten. En recent gebeurde er veel dingen toen hij over Corona begin te dichten: een dans- en poetry voorstelling, een artikel in het NRC dat zijn poëzie oppikte, optredens en een dansvideo.  

 

Lange Bio

Op mijn achtste kwam uit een test op school naar voren dat ik dyslectisch was. Op de vraag wat ik later wilde worden antwoordde ik: schrijver en bankdirecteur.

Zo kwam het dat ik zowel een studie volgde te midden van een vreemde horde toekomstige neoliberale bankiers aan de Amsterdamse Academie voor bank en financiën (overigens tegen de tijd dat ik die studie ging doen met als idee om “hard opgeleid” in de ontwikkelingshulp te gaan werken), als het dichtersfestival van de KUB won. De grootste prijs die ik in Tilburg kreeg – naast een optreden op De Nacht van het Boek – was de kennismaking met literatuurwetenschapper, gevreesd criticus en schrijver Hugo Verdaasdonk, die mij aan zijn keukentafel mijn eerste literaire kritieken gaf. Tijdens mijn eerste keukentafelsessie was ik zo zenuwachtig dat ik zijn zure, ver over de datum bier, niet durfde te weigeren. Zelf dronk hij wijn. Richting het einde van mijn studie probeerde ik tevergeefs een stageplek te bemachtigen bij een ontwikkelingshulporganisatie. In 1999 rondde ik mijn studie af en werkte ik op één van de grootste onderhandse beursvloeren in de City van London. Deze korte termijn wereld, met naast de kantoorpisbakken het openbare cokesnuiftoilet, hield ik na een half jaar voor gezien.

Naast schrijver en handelaar was ik alpinist en extreemskiër. In het bergsportblad Limits had ik jarenlang een verhalende column. Bij de uitgever van Limits verscheen in 2002 Bergstraat 55, een dichtbundel over klimmen. Vijf gedichten maakten deel uit van de expositie 100 jaar klimmen in het Olympisch Museum. Ik werkte freelance als energiespecialist, dichter en journalist. Voor Het Parool schreef ik reportages zoals over de kraakwereld en subwereldjes zoals fietscouriers en wildplakkers. In 2003 werd ik medeoprichter van een nieuw energiebedrijf. In datzelfde jaar deed ik mee aan mijn eerste poetryslam.

In 2005 werd ik vader. Zes weken later skiede ik mijnlaatste extreem couloir samen met mijn broer. Een aantal maanden later werd ik Nederlands Kampioen Poetry Slam en debuteerde ik officieel in de literaire wereld met Onder dak, bij Holland, in de Windroosreeks. Mede dankzij de bibliotheken en heel veel optredens, op het podium en op radio en tv, werd de bundel goed verkocht. In 2007 maakte het gedicht ‘Winter’ deel uit van de expositie Als het ijs smelt, van het Museum Volkenkunde. In 2008 stond ik op Lowlands, waar ik de All Star Poetry Slam won. Ik werkte aan een serie VJ-filmpjes voor de dansvloer en zat jarenlang in de jury van de Utrechtse PoetrySlam.

Twee weken na de geboorte van mijn tweede kind in 2011 verscheen de dichtbundel: De Patroon van het huis (Holland), die goed werd ontvangen. Voordrachten bij onder meer Dichter aan huis en voor Stichting Poëziefestival Landgraaf volgden. Ook maakte ik deel uit van de dichterspool die iedere uitzending een gedicht van de dag schreef voor het radioprogramma Dit is de Dag voor Radio 1.

In 2013 begon ik aan Uitzicht: een boek over megalomane architecte die het foute vastgoed ingaat om haar architectonische grootheidswaanzin te kunnen verwezenlijken. In 2016 verliet ik de energiewereld. Ik trad (en treed) op voor bedrijven en congressen en ben dichter in De Beweegredenshow, samen met twee jongleurs en een violiste. Daarnaast was ik nauw betrokken bij de opstart van The Crowd Versus, een crowdfundingplatform voor rechtszaken tegen multinationals die verkeerde dingen doen Ook publiceerde ik verschillende gedichten en maak ik regelmatig deel uit van de jury tijdens de Festina Lente Poezieslag.

Nadat Uitzicht “klaar” was, stuurde ik het aan drie uitgevers. Van alle drie kreeg ik hele mooie reacties over het verhaal, over de compositie en de inhoud. Mijn eigen stem echter, bleek nog niet “eigen” genoeg. Onder andere werd gevraagd: waarom herkennen we jouw stem wel in jouw poëzie en niet in jouw roman? Ik besloot om niet verder te gaan “leuren” met mijn boek, maar te gaan werken aan mijn “stem”. Dit was de reden om begin 2018  mee te doen aan de Meesterproef van de Querido schrijfacademie. Vier maanden lang werkte ik aan Spiegelreflectie Amsterdam, met al primaire doel: het vinden van mijn eigen stem. Als ik mag afgaan op het positieve leesrapport dat ik ontving, is dat gelukt:
“Koolwijk is een goede schrijver. Hij hanteert een prettige stijl die mooie literaire uitschieters bevat. Zijn schrijven is bij vlagen poëtisch, maar zonder artificieel te worden. Koolwijk weet de schipperssfeer, het ‘Amsterdam-vanaf-het-water’-gevoel, heel sterk neer te zetten. Hij schrijft erg beeldend en bij de passages over Nieks paniekaanvallen heeft hij ‘show, don’t tell’ goed toegepast” en: “Koolwijk heeft in Spiegelreflectie een unieke setting (Amsterdam vanaf het water), en een bijzondere hoofdpersoon (een schizofrene schipper) samengevoegd om interessante thema’s en ideeën te bespreken. Het is een erg origineel werk maar het blijft toch toegankelijk (…), en ik denk dat het daarom zeker de aandacht zal trekken van zowel commerciële als meer literaire uitgeverijen.”

In 2019 trad ik toe tot het waanzinnige Filmbedrijf Halal Film en Photography, verhalenvertellers in het diepst van hun gedachten. Bij de start van Corona begon ik iedere dag een gedicht te schrijven over de de wereld om mij heen - en over mijn vader die in het verzorgingshuis zat, corona overleefde, en later euthanisie pleegde. Er volgde optredens uit met Beweegreden, een dans- en poetry voorstelling met de krachtige Danseres Anastasia Kostner, een poetry- en dansfilm, samenwerking met impor muzikant Bart de Vrees en het NRC die het oppikte. Inmiddels ben ik mij aan het verdiepen in scriptwriting, werk ik aan poëzie, wil ik weer een bundel laten laten landen en een uitgever vinden voor alles wat ik maak.

Nieuws

Datum Uitreiking en bekendmaking New West Side Stories!

Ru Paré Amsterdam Nieuw West, 24 oktober. lees meer

Improvosatie optreden met muzikant / slagwerker / componist Bart de Vrees

Improvisatie optreden in Amsterdam Nieuw West. lees meer

Poetry Festival Wilde Woorden van West

Optreden samen met Dochter Dagmer Koolwijk. lees meer

Splendor 24h: Optreden met impro muzikanten Bart de Vrees en Wilbert Bulsink

Splendor 24h: Optreden met impro muzikanten Bart de Vrees en Wilbert Bulsink De podia zijn weer open en dus dacht Splendor: bam! 24 uur lang 24 live optredens. Ik doe mee met Bart en Wilbert. 6.00 uur in de ochtend. Poetry en Music! lees meer

NRC schreef over Corona Poezie en noemde mijn gedicht

NRC schreef over Corona Poezie en noemde mijn gedicht. De krant schreef over gedichten in tijden van crisis en quote een deel van een van mijn coronagedichten. Hieronder het gedicht dat ik schreef: lees meer

Poezie op de stoep: Bilderdijk - Kinker: mijn gedicht (letterlijk in de spotlights)

Mijn gedicht op de stoep en letterlijk in de spotlights. lees meer

Covidbloesem, de Corona Dans en Poëzievoorstelling is klaar en ready to perform!

Almost Ready. Laatste repetities... lees meer

5 nieuwe corona beweegredenshows

lees meer

Het verhaal "Chica" genomineerd voor de schrijverswedstrijd New West Side Stories!

Vorig jaar won Walter van den Berg de prijs. Afwachten hoe het dit jaar gaat lopen. lees meer

Liber Amicorm Victor Vroomkooning

Voor de tachtigste verjaardag van Victor Vroomkoning schreef ik, net als een aantal andere dichters en schrijvers, een gedicht voor deze bijzondere dichter. lees meer

Opgenomen in prachtige bloemlezing "Een zwaluw maakt geen zomer"

................... + linken naar publicatie lees meer

Opgenomen in 400 beste NL gedichten "Dichters Uit de bundel"

................... + linken naar publicatie lees meer

Radioprgramma Dit is de Dag moet zendtijd inleveren en stopt met de dichters van de dag

Ze maakten nog een boek met gekozen bijdragen van de dichters lees meer

Met trots en met Wilfried Zwaans sta ik Grivel Experimenta #3

lees meer

Connexxion gaat voor de liefde met poëzie

lees meer

Deelname aan de 29ste nacht van de poezie, op het slampodium

lees meer

De Wadden in gedichten is er

Deze gedichten schreef ik min of meer in opdracht van Henk van Zuiden. Drie dagen verbleef ik op Vlieland, mijn eerste "in opdracht", hier is het resultaat. + linken naar publicatie lees meer

Lowlands all star poetry slam gewonnen

lees meer

Bam! NK Poetryslam Winnaar 2005

lees meer

Roman Spiegelreflectie Amstel, eerste 4 hoofdstukken

overzicht

Synopsis: Spiegelreflectie Amstel (werktitel)

 

Niek, een witte schipper, vaart sinds zes jaar op de Amsterdamse grachten. Het stabiele leven van de rondvaart helpt hem bij het behouden van balans in zijn leven.

Jarenlang bevoer hij vanuit Rotterdam de grote rivieren. Door de onregelmatige lange uren en de eenzaamheid van het oneindige water, kreeg zijn meervoudige persoonlijkheidsstoornis en zijn belangrijkste alter ego Inge steeds meer vat op hem. In de spiegelreflectie van het Amstelwater heeft hij zijn rust weer hervonden, waant hij zich veilig voor zijn slechte helper Inge en durft hij zijn oude droom weer te koesteren om dichter te worden.

Varend op de grachten wordt hij zich echter langzaam bewust van de schizofrene manier waarop er met het verleden van Amsterdam wordt omgegaan; hoe het slavernijverleden verborgen wordt gehouden, als het ware ‘onder de waterspiegel’, en het kleine onschuldige hardwerkende Holland dat ‘boven de waterspiegel’, met z’n Amsterdam zus en z’n Amsterdam zo, trots tentoongesteld wordt in openluchtmuseum Amsterdam. Langzaam wordt hij steeds meer geconfronteerd met zijn eigen witte ongemak over racisme. Zijn drie collega-maten, met wie hij soms afspreekt, denken er alle drie anders over. Niek raakt door dit alles uit balans, waardoor Inge terug kan keren in Nieks leven.

Inge probeert Niek uit Amsterdam weg te krijgen, terug de grote rivieren op, of beter nog, de zee op, waar ze onbedreigd met hem samen kan leven. Dit doet ze door hem ervan te beschuldigen dat hij niet alleen zijn brood verdient in een stad die haar zwarte verleden verdoezeld, maar dat hij ook actief bijdraagt aan het in stand houden van een foutieve geconstrueerde herinnering door dag in dag uit de eenzijdige informatie van de audiotourguide in de oren van de toeristen te proppen. Ook Nieks stadse dichtersdromen stampt ze de grond in: Niek is een zwakkeling die te laf is om ooit op een poëziepodium te gaan staan.

In een alles of niets poging om sterker dan Inge te zijn, maakt hij een afspraak met haar: als hij aan een poëziewedstrijd in een café durft mee te doen en die wint, dan laat Inge hem voorgoed met rust. Zo niet, dan gaat hij met haar mee, weg uit Amsterdam. Inge stemt in. Om er zeker van te zijn dat hij hoe dan ook het besmette grachtenwater met z’n I-Amsterdam-euforie verlaat, laat ze de grachten bloedrood kleuren.

 

 

ps. hoe tof zou het zijn om de Amsterdamse grachten echt bloedrood laat kleuren tijdens de presentatie van het boek. Ik heb al offertes liggen hoeveel het zou kosten om met biologische kleurstof de grachten rood te laten kleuren. Wellicht kunnen er fondsen worden verkregen hiervoor. Maar ik heb ook contact gehad met mensen die werken met lichtinstallaties, waarmee je misschien makkelijker de boel rood kunt laten kleuren, misschien wel tijdens het Amsterdam light festival. Natuurlijk moet het boek eerst goed zijn, op zichzelf staan, een eigen stijl hebben en een universeel verhaal vertellen: dat van een mens op zoek naar rust. Toch heb ik heb al veel contacten gelegd, bv met iemand die foto’s van grachten gemanipuleerd heeft tot wilde zeeën en met licht – en filmmensen.

 

 

 

Spiegelreflectie Amstel (werktitel), vijf hoofdstukken.

 

Zondagochtend

Bibberende grachtenpanden glijden geruisloos onder zijn rondvaartboot door. De passagiers turen vanachter de glazen overkapping naar de imaginair leerlooiende ambachtslieden van de negen straatjes. Een dappere zon kruipt de Amsterdamse kade op. De audiotour in de oren van de toeristen als spenen in tevreden baby’s. Rust op het water, rust in het ruim.

Terwijl ze kalm rechtdoor varen krabbelt Niek in zijn opschrijfboekje:

water ligt niet ver van de wal. goudeneeuw-euforie wordt als Hollandse slagroomtaart gevoerd aan toeristen. gansjes volgestampt. terwijl de stad uitslaapt, ontwikkel ik zilver van mijn Côte d’Or.

Hij knikt en neemt de marifoon met volle mond ter hand: ‘Niek hier, goeiemorgen. Gaat van Prinsengracht de Leidse op.’

Langzaam duwt hij het gaspookje naar links. Boeg- en hekschroef zuigen water aan en spuwen golven uit. De boot vertraagt en verlaat de weerkaatste kade. Langzaam drijft hij verder door de aderen van de stad die langzaam in beweging komt.

‘Niek hier. Leidsegracht, Keizersgracht… Leidse vrij.’

Levensgrote poppenhuizen glijden langs. De topgevellijn van de gracht steekt frivool af tegen de blauwe novemberlucht. Dan laat hij zijn blik weer rusten op het zwarte Amsterdamse grachtenwater, maar hij denkt aan Rotterdam, vanwaar hij de grote rivieren bevoer. Het vergane haventje aan de Oude Maas ziet hij weer voor zich, met het impressionistische salonbootje dat hij opgeknapte tot woonsloep, waarop hij jarenlang met Inge Ewaldus samenwoonde.

Atlantis aan de Maas, ergens op de bodem, in een zak met kittens, roze halsbandjes en rood gebakken baksteen, daar ergens moet jij zijn.

Maar Rotterdam ligt gelukkig ver achter hem. Dik zes jaar woont hij nu in Amsterdam. Hier, in de spiegelreflectie van de Amstel heeft hij zichzelf weer durven aankijken. Bijna iedere dag nog prijst hij zichzelf gelukkig dat hij aan deze zevenhonderd jaar oude toerist-magnetische oever zijn wal weer heeft gevonden. De poeha van deze stad, met z’n Amsterdam zus en z’n Amsterdam zo, neemt hij voor lief. De toerist wil nu eenmaal weg kunnen dromen bij de verhalen over de bierstad, Johan en Rembrandt, Anne Frank, tolerantie, de grachten en zijn oude gevelpanden. Bovendien leent de hoofdstad zich nu eenmaal goed om het kleine Holland te positioneren in de grote wereld. Rotterdam mag dan ook best oud en belangrijk zijn geweest, met z’n wereldhaven en z’n Erasmus, maar de nazi’s hebben de historische jus er toch wel vanaf gebombardeerd.

‘Keizers, Brouwersgracht.’ Hij duwt het pookje richting bakboord. Even opletten, Niek. ‘Keizers vrij.’

Snel noteert hij een dichtregel: katerige toerist aanschouwt vanaf de brug de schuit die wulps met haar kont naar achteren draait tot ze...

Hij schudt het hoofd. Nee, het is een niet kloppende dichtregel. Effectbejag bovendien, iets dat hij geleerd heeft van de boekenbijlagen van de kranten, die heel soms verlaten op hem liggen te wachten tussen de achtergelaten troep onder de oranje passagiersstoelen van zijn boot.

de stad ligt op z’n mallemoer nog. lamlendig likt een toerist het zonnetje van de kade. zijn ontbijt: jus d’orange en een croissantje uit een zak.

Ja, dat is beter.

Een donkergrijze grachtenwoning met witte gevelaccenten trekt zijn aandacht. Aan de hijsbalk van de tuitgevel hangt een wasmachine te bungelen boven een geveltrap met gietijzeren leuning. Zachtjes wiegend zakt het gevaarte langzaam richting water. Terwijl ze langsvaren landt de witte kolos veilig op de stoep.

Hij leunt achterover, zijn hoge zwarte kapiteinsstoel kreunt als een eenzaam schipperskind. Zijn voeten steunen op onderkant van het houten stuurwiel. Als de boegschroef het begeeft zal hij het geverniste reservehout ter hand moeten nemen. Maar in de zes jaar dat hij door deze grachten drijft, is dat nog nooit voorgekomen. Afkloppen niet nodig. De vloot, is als door een ringetje onderhouden. Vieze handen maakte hij hier nooit. De toeristenvaart heeft zoveel voordelen. Het enige dat hij echt mist aan het binnenschipperen is het oneindige uitzicht dat hem met enkele penseelstreken diep in zijn buik konden raken als de rivier hem, en zijn lading, een nieuw landschap binnenloodste. De rondvaart mag dan, volgens sommigen, het laagste van het laagste zijn, hij zit hier rustig en goed. De Rotterdamse binnenschipper Niek bestaat enkel nog in een gevoel van vrijheid dat bij vlagen boven komt drijven, in een paar mooie beelden in zijn hoofd en in een fragmentarische film van de laatste dag dat Inge bij hem was, die eindigde nadat ze richting de sterren sprong en daarna in het donkere water verdween.

 

Maandag avond

Afgedraaid vaart hij tussen de gezandstraalde statige bakstenen van de Herengracht door. Donkere hoge ramen staren hem doods aan.

De lange dag is bijna rondgevaren. Zo meteen alleen nog de lading aan wal zetten, chipsresten van de scholierenbende van vanmiddag opvegen en een lapje over de imitatiehouten tafeltjes halen, en dan op huis aan. Langzaam vaart zijn rondvaart langs de burgemeesterswoning. De zwarte statige kasteeldeur met de witte pilaren aan weerszijde verdwijnt even uit het zicht achter de stam van een knoestige kade-iep. De audiotour vertelt dat “Het Huis met de Kolommen” in de zeventiende eeuw werd neergezet door de hardwerkende koopman Godin, die ook bewindhebber was van de West-Indische Compagnie.

Verhalen, Amsterdam met haar historische, trotse verhalen over de vlijtige en ruimdenkende stad. Als hij nu, op deze late maandagavond, het stuur de rondte in zou gooien en in hoovercraftstand het Vondelpark in zou cruisen, dan schudt de voorgeprogrammeerde systeemstem zonder gêne een verhaal uit haar database over het prachtige oude filmtheater, de beroemde dichter Vondel die het kortste gedicht ooit schreef, “U, nu!”, of de schenking van het park onder voorwaarde dat honden er altijd los mogen lopen.

Terwijl hij zijn hoofd langzaam schudt, licht zijn mobiel op: zo biertje in café in ’t aepjen? Het is een berichtje van zijn collega-maten[1] Jan, Robbie en Peter, op de enige groepsapp waar hij deel van uitmaakt. Even leunt hij achterover en laat hij zijn armen als kinderbenen van zomerse bruggen langszij bungelen. Doet hij er verstandig aan om een pilsje te pakken? De laatste keer, twee weken geleden alweer, werd hij door de drukte overmand en raakte hij in paniek. Bezwete klauwen van de krijsende cafémenigte grepen hem naar de keel. Daarna voelde het alsof er een natte doek tegen zijn gezicht werd aangeduwd. Van zijn schippersvrienden hoorde hij een dag later dat hij happend naar adem naar buiten was gerend.

Kom op Niek, spreekt hij zichzelf toe, te veel op jezelf is ook niet goed voor een mens. Zelfs niet voor een binnenschipper. Hij laat het mogelijke cafébezoek nog even in de luwte liggen. Zijn maten verwachten geen antwoord, die kennen hem wel, die weten van zijn verleden. Gapend recht hij zijn rug. Voor hem duikt lantaarnlicht prachtig over het grachtenwater heen en landt wiebelig als een blinkende golfplaat te midden van de historische panden. Snel schiet hij een kiekje voor Facebook en noteert:

in het donker kun je duidelijk zien dat het water licht teruggeeft, alsof het de stad helpen wil. kan iemand de bodem zien als water lichter wordt?

Hij bekijkt het tekstje en de foto, knikt met getuite mond en stuurt het gedichtje de wereld in. Hij weet het zeker, als hij zijn cafévrees onder controle kan krijgen en als hij van al zijn losse aantekeningen en statusupdates echte poëzie weet te maken, dan zal hij zijn eigen werk ten gehore brengen als een echte dichter. Niek-I-Amsterdam, uw grachtendichter. Hij ziet zichzelf er op een of andere manier wel staan, op zo’n verhoging, met een stapeltje papier voor z’n neus. Maar tegelijkertijd hoort hij ook de stem van Inge in zijn hoofd, die zegt dat hij dat toch nooit zou durven.

Hij verlaat de Gouden Bocht. Nog even, Niek, weldra komt er een einde aan het touw. Verveeld wurmt hij de rubberen audiodopjes in zijn oren. De honingzoete gps-stem leest voor uit eigen werk: ‘Nederland staat wereldwijd bekend als een tolerante natie. Het begon al heel vroeg. Verdrukten van overal ter wereld kwamen naar Amsterdam. Iedereen was welkom. Nederland heeft altijd een open blik op de wereld gehad. Sinds de jaren zestig kan het al helemaal niet meer stuk. Op een paar zwarte bladzijden na is Amsterdam een open samenleving en is Nederland altijd een tolerant land geweest.’ Niek lacht minzaam om de tourguide slogans en trekt dan snel de oortjes uit zijn oren, want voor hem hangen feestvierende jongeren schreeuwend over de brugleuning. Ze steken hun middelvinger naar hem op en houden hun blikjes bier dreigend de lucht in. Ze bekogelen hem! Hij duikt weg achter zijn armen en vaart met ingehouden adem onder ze door. Hoort hij iets? Naast hem, op ooghoogte, tippelt een rat over een bemoste houten balk van de donkere brug en verdwijnt in de nis van een gemetselde pijler. Aan de andere kant van de brug is het rustig. De aangeschoten jeugd is nergens meer te bekennen.

Hij is er, eindelijk. Hij bindt zijn boot stevig vast aan de houten stijger, geeft een klopje op de boeg zoals een dressuurruiter haar paard bedankt en ploft neer op een ijzeren wachtbankje en mompelt ‘goedenavond’ tegen zijn passagiers die de wal opstappen. De dag is lang geweest. Op routine maakt hij alles klaar voor morgen en loopt dan, jas in de hand, langs het water, langs de Melkweg, richting Looiersgracht. Bij café Festina Lente houdt hij even zijn pas in. Het kriebelt, nu hij naar binnen kijkt. Iedere maand wordt hier de oudste poëzieslag van Nederland gehouden. Jarenlang zat Simon Vinkenoog er de jury voor. Niek heeft weleens wat van hem gelezen: Ik ben een vreemde in eigen bloed / mijn hartslag klopt aan andere deuren.

Veel dichters die hier meededen zijn doorgebroken. Binnen gonst het. Zou hij de drukte aankunnen? Maatjes in een vaatje, iedere derde maandag van de maand opnieuw. Tien minuten zou hij het misschien volhouden. Daarna zou hij als een rat piepend naar buiten rennen en vanaf de boeg van het zinkende schip, zich op zoek naar stilte ter plekke te pletter verzuipen in de gracht. Hij blaast een stofje van zijn zeeblauwe revers. Een kale man die op het bankje voor het café zit, slaat een biertje achterover en wenkt hem. Maar Niek schudt het hoofd: ‘Sorry, ik ga naar café In ’t Aepjen. Toch maar even de lange dag uitblussen met m’n maten.’ Terwijl hij gedag zwaait mompelt hij nog: ‘en ook proberen of ik op een of andere manier de cafédrukte misschien weer kan leren verdragen.’

 

 

In ‘t Aepjen

Als een kind dat het water in moet, maar eigenlijk niet wil, kijkt hij vanaf de Zeedijk door de ramen met de witte sierlijke letters In ’t Aepjen, naar binnen. Hun stamcafé, ouder dan de voc, is klein en bruin en oogt vandaag overzichtelijk genoeg om jezelf er niet te verliezen. Aan de lage bar, getimmerd van oude houten deuren, zitten twee gasten met de rug naar hem toe. In de hoek bij de dichte groen geverfde trap, die vroeger naar de bovenverdieping leidde, waar matrozen in hangmatten sliepen, ontdekt hij zijn drie collega’s. Vanachter de hoge rechthoekige ramen slaat hij ze gade.

Jan, die na zijn jeugd op het internaat zijn eerste vaarjaren op zee maakte, totdat de vis van de Europese Economische Gemeenschap niet meer in zijn netten mocht zwemmen, schudt zijn bonkerige kale kop en priemt twee uitgestoken wijsvingers in Robbies borst. Robbie, de druk pratende luchtspreker, staat met een biertje in zijn hand tegen de bronskleurige apentotem geleund en dient Jan zo te zien flink van repliek. Hij is hun stadsjongen, schipper van een nieuwe generatie, die met z’n creatief verwarde haar en z’n space-age brilmontuur een welkome afwisseling vormt in hun groepje jonge vijftigplussers. Waar zouden ze het over hebben? Jan kennende, vast over de vaart of de politieke lafheid van Nederland. Peter, die nu tussen zijn twee maten in komt staan, laat het verbale geweld rustig over zich heen denderen. Petertje. Nadat hij in de Rotterdamse haven steeds opnieuw weer werd geveld door zeeziekte, is hij achter Niek aan naar Amsterdam getrokken. In z’n slap hangende, weekdierenvelachtige trui, ziet hij er nog steeds pips uit, maar dat komt omdat hij net door z’n vrouw het huis uit is geknikkerd.

Nieks gedachten wandelen weg bij zijn maten, de Zeedijk af, naar zijn eigen vertrouwde thuis met het bedarende uitzicht over de stad en het water. De dag was lang, zijn knieën zijn waterig en hij wil onder zeil. Hij draait zich een kwart slag en loopt een paar passen.

‘Niek!’, klinkt het achter hem. Geschrokken ademt Niek een ferme hap Zeedijk-lucht in. ‘Kom je niet toch eventjes fijn naar binnen.’ Hij kijkt achterom. Het is Peter, met z’n zwarte krullen. ‘Kom toch eventjes, het zal je goed doen.’

Niek ademt uit en knikt langzaam van ‘ja’. Peter steekt zijn hand uit. Een natte washand glijdt langs Nieks vingers. Maar het maakt Niek niks uit. Hij is gesteld op Peter, die hij al kent vanaf de tijd dat ze samen in het laatste jaar van de schippersschool zaten. Achter hem loopt hij vier eeuwen oude kroeg binnen. Onzeker rits hij zijn jas open, daarna zijn grijze jumper. De woonkamersfeer die hier altijd hangt stelt hem enigszins gerust.

‘Goed dat je er bent, Niek! Goed dat je er bent.’ Robbie kletst zijn hand soepel in de zijne. Ook Jan verwelkomt hem, met een ijzeren zeemanshanddruk: ‘En gozer, toch geen exotische routes genomen vandaag?’ Gelukkig laat Jan zijn hand weer snel los.

‘Iedereen een biertje?’ vraagt Peter, terwijl Jan en Robbie hun discussie weer bestendigen.

‘En trouwens Robbedoes, d’r komt geen hardwerkende ziel naar zo’n voorstelling kijken, allemaal verloren geld.’ ‘Maar Jan, luister, als er iets is wat onze identiteit weerspiegelt, dan is het cultuur. Dat weet je toch ook wel. Dan wil je toch dat die kunstenaars…’ ‘Gozer, luister lekker zelf naar je eigen luchtspiegelingen. Het gaat erom dat het allemaal onzin is. En dat ik gewoon mijn mening mag hebben en dat is dat de hardwerkende Nederlander niet de broodlade van …’

Niek bekijkt de op z’n kop hangende glazen boven de bar, terwijl hij zijn best doet om de stampende dieselstem van Jan uit te zetten in zijn hoofd. Je zou het niet zeggen, maar thuis, waar Jan met een stevige Zaanse kloet woont, heeft hij niet veel in te brengen. Dat hij er zo angstaanjagend uitziet, dat komt door z’n vlezige kop, z’n gladgeschuurde boeg en z’n wenkbrauwen van scheepstouw. Daar kan hij zelf niets aan doen. Ondanks het feit dat de kapitein was op de boot waar hij zijn eerste lange binnenschippersreis op maakte, is hij nog steeds niet gewend aan zijn getetter. Maar Jans bonkerigheid ten spijt, Niek is hem eeuwig dankbaar. Juist toen hij het hardste hulp nodig had, en Inge hem echt in haar greep had, hielp Jan hem aan onderdak in Amsterdam en heeft hij ook nog eens helpen klussen totdat het klaar was.

Petertje, die geduldig wacht tot de barman de zojuist binnengekomen bankpakken heeft geholpen, glimlacht naar hem. Hoe Peter schijnbaar onaangedaan de ronkende woordenvloed van Jan over zich heen kan laten gaan, is hem een raadsel. Misschien heeft Petertje het geleerd op de bunkerschepen in de Rotterdamse haven. Daar vliegen de onduidelijke orders en verhalen, verdund met zeewind en golfslag, je ook om de oren.

De vele aapjes die her en der zitten of hangen zijn voor Niek een fijn aanknopingspunt om zich op te richten als het te druk voor hem is in dit café. Vroeger konden de voc-zeelui hier hun achterstallige rekeningen betalen met vreemde dieren uit verre wingewesten. In de vitrinekast aan de andere kant van het lokaal staat een viermastertje te pronken. Op de tap prijkt een drie vuisten hoog beeldje van een trotse Admiraal, alsof ‘ie zojuist de Oriënt heeft ontdekt.

‘Hé Petertje. Hulp nodig?’ Niek schrikt op van Jans stem. Een roestige beuk op diens schouders volgt. ‘Vier Aepenbier. We hebben dorst!’ Jan slaat zijn arm om Niek z’n nek. ‘Erbij blijven, hè Niek. We laten het niet gebeuren dat je weer ergens terecht komt waar je niet wezen moet.’

Als ze eindelijk allemaal voorzien zijn roept Robbie: ‘Proost Niek, op je mooie bibberwaterkiekje dat je op Facebook hebt gegooid daarstraks.’ Robbie, zelf niet onverdienstelijk creatief met de camera, laat een van Nieks statusupdates rondgaan die hij er eerder die avond heeft uitgegooid. ‘Maar Niek, met alle respect, mijn shoots zijn toch wel wat stilistischer dan de jouwe.’

Niek haalt zijn hangende schouders op. Zijn kiekjes zijn noodzakelijke bijvangst bij zijn online versjes, omdat Facebook zinnen met foto nu eenmaal voorrang geeft boven fotoloze zinnen.

‘Luister jongens,’ kondigt Robbie op gedragen toon aan: ‘Een gedicht dat onze eigen Niek Slauerhoff vanavond postte, getiteld “In de rij”: bomen staan als drinkebroeders met het hoofd omlaag langs de gracht. nu het november is, willen ze ervan door. soms vraag ik mij af of er zoiets bestaat als bomen die op elkaar lijken als twee druppels water. zouden ze familie zijn, de bomen langs de gracht?

Jan deelt een ferme schippersklap uit. Nieks rug staat in de fik. ‘Zal ik het even voor je googlen, gozer?’

‘Niet nodig hoor, Jan,’ zegt Peter. ‘Die bomen hier aan de waterkant hebben heus niet een mals stukje grond gezocht om hun eikeltjes in te laten vallen. Die zijn natuurlijk ergens anders geplant, opgegroeid en daarna hier naartoe gehaald en...’

‘En bedankt, jongens,’ valt Robbie hem in de rede. ‘Het gaat hier om de poëzie, om de achterliggende gedachten, zeg maar. Toch Niek? Nou ja, laat maar. Niet iedereen is van de kunst, maar dat mag de pret niet drukken.’

Niek pulkt met zijn linkerhand zijn Samsung uit zijn rechter broekzak. Elf uur. Zijn maten hebben morgen in de middag, of pas woensdag weer dienst. Hij moet morgenvroeg alweer het water op. En hij wil nog even kijken of er tussen zijn krabbels van de afgelopen dagen nog wat poëtisch te vinden is. Boven zijn hoofd wiegt haast onzichtbaar een van de kooien waarin de aapjes vroeger zaten om de gasten te vermaken. Vanachter dunne zwarte tralies kijken twee ebbenhouten oogjes hem angstig aan. In de hoek boven de bar hangt een poster van een mensaap die dreigend naar hem kijkt. De hoge ramen van het café beginnen te beslaan. Een rumoerige groep bonst op de deur, maar loopt voorbij. Snel werkt Niek zijn speciaalbiertje naar binnen. Hij wil opstaan, maar plotseling hangt Robbie met z’n hele gewicht tegen hem aan. Niek dondert verdorie bijna van z’n stoel.

‘He guys, hebben jullie het grote nieuws al gehoord? Ik heb vanmiddag witte rook gekregen. Ik mag iemand vervangen en ga dit jaar een van de boten van de sinterklaasintocht varen! Thuis is iedereen door het dolle heen.’

Jan slaat met zijn vuist op de schouw, die kraakt onder de impact van de inslag. ‘Sodemieter toch op, Rob. Wij gaan naar Weesp dit jaar[2].’

Robbie kijkt hem glimlachend aan. ‘Nou Jan, geen idee hoe iedereen er dit jaar weer uitziet. Ze verzinnen altijd weer wat anders. Maar zolang er niemand voor lijk aan de mast hangt, vaar ik die boot gewoon en komt deze papa live op AT5!’

Niek zwijgt. Hij kijkt naar Robbie en dan naar Jan. Je moet tegenwoordig toch oppassen met wat je zegt. Maar niet iedereen met een mening is gelijk een racist, of een verrader. Neem Jan, die mag dan misschien wel uitgesproken voorstander zijn, maar hij bedoelt het niet kwaad. Jan hielp hem wel mooi met zijn huis toen het water aan zijn lippen al kortsluiting begon te veroorzaken in zijn hoofd. Jans tuinman is bovendien gewoon een Marokkaan, dus een racist is hij niet. Jan staat Robbie nu al een paar seconde boos uitdagend aan te kijken. Niek maakt zich klaar om weg te gaan, voordat Jans woordenbombardement zal gaan losbarsten.

‘Mooi weer op de boot, jongens,’ roept Robbie opeens.

De groep vrouwen die daarstraks nog voor de deur stond te krijsen, stroomt nu naar binnen. Niek staart wezenloos naar de stevige color blocking banga’s, met hun paarse, roze of brandweerrode trainingsjasjes. Jan weet er wel raad mee.

‘He lovely, do you speak English?’

‘Wat did you say, honey?’ vraagt een glimmende Adidas.

‘I want to introduce you to Niek, Tourguide Amsterdam and famous canal poet. Doing also private tours, if you know what I mean, dus…! And this is Petertje, by the way, he recently became single husband.’

De hele vrijgezellenclub stort zich op de mannen. Een stevige zwarte legging kruipt op Nieks schoot. Een volgend rondje! Metalig geluid in zijn hoofd. Stemmen steken in zijn oren. Felle kleuren. Zijn trui kriebelt. De geur van toiletreiniger. Iemand schreeuwt dat hij naar huis moet. Zijn keel wordt dichtgeknepen. Happend naar adem duwt hij de double whammy van zich af. ‘Sorry jongens, Niek moet ervandoor. Bye Bye.’

 

 

Drie vrouwen

Nog tweeënhalf keer de grachten rond en dan drie dagen vaste grond onder de voeten.

Achter in de halfvolle boot hangt een kudde Engelsen, met een flinke lading drank achter het snotje, als kreupele gezelschapsdieren onderuitgezakt tegen elkaar. De Midden-Oosten kliek in het midden van de boot lijkt er niet van onder de indruk. Ontspannend leunend op de winkeltassen vol “P.C. Hooft basics” op hun schoot, nemen ze openluchtmuseum Amsterdam in zich op. Het kwartet violisten naast hen lijkt ook geen last te hebben van het rumoer. Vredig knikkend fantaseren ze over het verleden van de museale stad, met hun instrumenten als vers gevangen vis overdwars op het tafeltje tussen hen in. Voorin tenslotte, zitten drie dames van halverwege de veertig, die geconcentreerd luisteren naar de audioguide terwijl ze af en toe schalks naar elkaar kijken. Heel even snuift hij hun bloemige geur van lente en overzees fruit op.

‘Niek hier. Brouwersgracht – Haarlemmersluis.’

Onder de Haringpakkersbrug glijdt de in beton gegoten dichtregel links aan hem voorbij: weggaan is een soort van blijven[3]. Op iedere driedimensionale letter staan lege flessen wijn, sommige met gedoofde kaarsen erin.

De boot pruttelt het ruime sop op. In de dikke schemer doemt het mager verlichte lunapark voor fietsen op. De schuin omhooglopende metalen parkeerdekken van de bicycletteflat zweven boven het water. Honderden blinkende sturen steken boven de roestige roosterhekken uit. Het metalen zigzag bouwwerk trekt de aandacht van de passagiers. Gps-tourguide doet de rest. Kreten vanachter kaatsen door het ruim: ‘Wow, look at those bikes! Unbelievable! Crazy Dutchmen!’

niet de fietsen, maar de dansende lichtjes op het donkere water. licht dat de diepte lijkt in te duiken. licht, zoals…

Er komen even geen nieuwe lichtbeeldspraken in hem op. Radioactieve waterkevers, Philipsvisjes, Belgische snelwegsprookjes, ambulances zonder geluid[4], hij heeft het allemaal al eens opgeschreven, of wacht…

steeds als ik al die lichtjes op het water zie, vraag ik mij af of ze dansen als neonwaterspinnen of dat ze duiken als loden vuurvliegjes die op zoek naar duisternis doven.

Dit kan misschien wel de wereld in, mits hij er het juiste waterplaatje bij kan schieten. Maar hij moet voorzichtig zijn; Waternet heeft aangekondigd te gaan controleren op het gebruik van de telefoon.

De Brexiteers zetten het volume een tandje hoger nu: ‘Captain: sail us to the hookers, sail us to the hookers, bring us deep, deep into the red lights.’

Niek schudt het hoofd. Woensdagavond. Hij is blij dat het straks klaar is. Drie dagen vrij voor de boeg. Hij checkt zijn achteruitkijkspiegel. Niks aan het handje. Bij hem geen #metoo-gedoe aan boord.

Langzaam kruipt het Centraal Station in de verte voorbij. De paniekerige torentjes, de smalle hoge ramen en de spitse kapelletjes die eruit zien als kleine koekhuisjes geven de pompeuze treinkathedraal iets frivools. Maar Niek haat het gebouw, omdat het hem zijn vrije zicht over het IJ ontneemt. Gelukkig varen ze al bijna het Open Havenfront op. Weemoedig kijkt hij naar de ingekapselde oase aan ruimte en rust in deze krappe waterstad.

met een telescoop zoek ik de grachten af naar de vergezichten. ik kom thuis met een caleidoscopisch beeld van zeven keer boogbrugdoorzicht en met het Oosterdok, waar oog en wind Rotterdams vrij spel hebben. het is niet veel, maar…

Nee. De poëzie is er gewoon even niet. Het is ook te druk aan boord, bromt hij met gefronste wenkbrauwen in zichzelf. Het is niets voor niets het einde van zijn werkweek. En die drie leuke vrouwen achter hem helpen ook niet mee.

In de verte steekt het Scheepvaartmuseum als een lichtgrijze spookvesting uit het water omhoog. Niek ademt de oneindige lucht voorbij het museum in, met schemer en al. Het kalmeert hem maar gedeeltelijk, want hoewel in het ruim de rust is teruggekeerd, smoezelen de drie dames achter hem maar door. Allen nog maar één audio-oortje in, het andere dopje los bungelend langs de zijkant van hun borsten. Hun blikken kriebelen in zijn rug. Via de spiegel bespiedt hij ze. De kleinste, met een Hollands blond kort kapsel, kijkt met een sombere blik naar buiten en luistert naar de zwarte vrouw met het gestylede halflange haar. Haar ogen die de wereld tegemoet zeilen, kijken hem nu aan. Niek gaat snel rechtop zitten. Uit zijn ooghoeken ziet hij hoe de derde, met haar bruine krullen die vrolijk onder een groen retromutsje vandaan springen, zich naar haar vriendinnen toebuigt. Op verontwaardigde toon kauwt ze in het Amerikaans iets wat hij niet kan verstaan. Hij schrikt en duwt per ongeluk tegen het stuurpookje aan. Dat hese stemgeluid en die knauwende uithalen, dat is de stem van Inge!

Trillend checkt hij de situatie op het water en kijkt daarna bezorgd achterom. Gelukkig, Inge is nergens te zien, en niemand lijkt iets in de gaten te hebben. Hij kalmeert. Het is in orde, Niek, spreekt hij zichzelf in gedachten toe. Kijk nou naar ze, het zijn aardige, lieve vrouwen.

De drie vrouwen kletsen op rustigere toon door. Waar zouden ze het over hebben? Zouden ze alleen zijn, of struinen hun mannen nu over de Wallen? Hij haalt zijn schouders op. Wat maakt het uit? Z’n vlagvoering zal, zoals het er nu voorstaat, nooit casanoviaans zijn, maar toch neemt niemand hem de goede hoop af.

‘Niek hier, Oosterdok – Oudeschans.’

Omsloten door angstig hoge muren en verweerde bielzen, en bekeken door vier gebogen heftorenhoofden varen ze door de voormalige West-Indische Sluis. Onwillekeurig houdt hij zijn buik in. Aan stuurboordzijde bevindt zich de oude Jodenhoek, die achter de oude halsgevelpanden met de witte accenten verborgen ligt. De audioguide vertelt over de Portugese Joden die een van de eerste waren die naar het tolerante Amsterdam trokken omdat hier iedereen vrij was en ze konden zijn wie ze wilden zijn.

Een twinkelend giecheltje ontspringt achter hem. Hij kijkt even om, maar vrees voor ondiep water verstramt hem.

Kom op, Niek, spreekt hij zichzelf toe, terwijl hij schuin omhoog kijkt naar het eenzame torentje rechts van hem. Een dichtregel flits door zijn hoofd:

witte spits van de stapeltaart prikt de lucht lek

Dan schraapt de moed bij elkaar. Met de borst vooruit leunt hij zo losjes mogelijk achterover en haalt diep adem. De leuke drie kijken nu opeens zijn kant op. Hij zit alweer rechtop en kijkt als een reiger met een kikker in zijn keel verstijfd naar het water.

‘Niek hier. Sint Antoniesluis. Best wel mooi weer in de boot,’ fluistert hij met samengeknepen stem in de marifoon.

‘Rustig aan, Niek,’ klinkt de bemoedigende stem van een collega-schipper op het open kanaal.

 

Een kwartiertje later legt hij zijn boot voor een korte pauze aan de touwen bij zijn thuishaven. Nog twee vaartjes te gaan. De dure kleding en de violen worden naar buiten gedragen. Als Jut voor de kaakmand staart hij vanaf de steiger stiekem naar de kwetterende drie-eenheid die nog steeds in de boot zit. De zwarte vrouw veegt met een speelse beweging haar haren achter haar oren. Zouden ze weten dat de ronde erop zit? Hij dorst het ze niet te gaan vragen.

Terwijl de Engelsen luidruchtig de steiger opstappen blaast hij rillend van spanning zijn longen schoon. De vrouw met het retromutsje zwaait vanuit de boot naar hem en staat dan op. Zijn adem stokt. De anderen volgen. Ze stappen de boot af, ze zijn vlakbij. Zijn hart een slaventrom op drift nu. Dwangmatig zoekt hij in zijn hoofd naar dingen waar hij rustig van wordt; uitgestrekte berggezichten vanaf Zwitsers water, flarden van gedichtjes, de Rotte. Kom op, Niek, spreek ze aan zo meteen. Maar hij schudt onzichtbaar het hoofd. Een krabbend anker, dat is hij. Niemand vindt jou leuk, Niek, hoort hij weer tegen hem zeggen. Met de handen voor zijn buik opent hij op de tast zijn pakje Van Nelle en volgt bewegingloos vanuit de bovenkant van zijn ogen de drie dames. Ze lopen aan hem voorbij, hij snuift de geur van appelwijn op. Het is alsof hij tot z’n heupen in opdrogende modder is gezakt, alsof zijn mond vol modder zit. Opeens blijven ze staan.

‘Kunnen we je iets vragen?’ vragen ze in het Amerikaans.

De shag trilt uit zijn vloei. De vrouw met de vallende bruine krullen doet het woord, haar handen parmantig in de zij geplant. De twee anderen houden zich van dichtbij afzijdig.

‘Hoi. Mijn naam is Charlotte,’ zegt ze in zangerig Nederlands. ‘Ik heb tot mijn twaalfde in Nederland gewoond en ben hier nu een weekje op bezoek met mijn twee Amerikaanse vriendinnen. Ze willen graag weten waarom er in jullie tour niks verteld wordt over de slavenhandel. Nederland was daar ooit toch de grootste in?’

Niek speurt de door neon en straatlantaarns verlichte stadslucht af. Er trekt een warme golfstroom door hem heen. Wat was haar openingsvraag ook al weer? O ja, slaven in Amsterdam.

‘Slaven?’ stottert hij. In zijn hoofd is het mistig. ‘Wat bedoelt u? Nee, nee, in Amsterdam zijn er nooit slaven aan het werk geweest. Dat speelde zich enkel af in Suriname en Curaçao.’

‘Sorry schipper…,’ ze buigt zich voorover en bekijkt zijn badge, ‘…Niek. Ik bedoel het koloniale verleden van de familie Bicker, van dat eiland waar over verteld werd, die waren toch eigenaar van tientallen slavenschepen. Waarom horen we daar niks over op jouw boot[5]?’

Vurige en vragende blikken, nu ook van de twee andere vrouwen. Zijn hartslag loeft verder op. Hij probeert zichzelf in toom te houden. Charlotte stelt hem een serieuze vraag. Het antwoord lijkt simpel: omdat de meeste toeristen daar niet op zitten te wachten. Maar wat wil ze horen?

Net nu hij wil antwoorden dat hij de audio-tourteksten niet zelf inspreekt, draait Charlotte haar hoofd opzij en overlegt in onnavolgbaar snel Amerikaans met de twee anderen, die nu verlegen van hem wegkijken. Hij rolt een nieuwe peuk, terwijl hij de ander leeg trekt met de naar binnen gekeerde kracht van de wervelstorm die door zijn kop raast, maar het kalmeert hem nauwelijks.

Kom op, Niek, vraag het ze, spreekt hij zichzelf in zijn hoofd toe. Die vriendinnen kijken niet voor niets naar je. Open je mond, Niek.

‘Weten jullie, uhm, weten jullie misschien dat ik ook gids ben. I-tourguide-Niek-Amsterdam. Zou ik jullie misschien mogen… hebben jullie misschien tijd om straks… willen jullie eventueel na mijn laatste vaartje, met mij de stad verder te bekijken? Dan kunnen we dieper op de vraag ingaan.’

Het praten ontspant zijn heupen. De wind gaat wat liggen. Je deed het, Niek! Trots op zichzelf kijkt hij schuins naar de vriendinnen. Ze glimlachen, toch? De steiger wiegt hun vieren. Waar kijken ze naar? Geen knipoog, geen blink? Waar gaan ze heen? Arm in arm lopen de drie bij hem vandaan. Hij blijft ze nakijken tot ze uit het zicht zijn. Dan druipt hij af, terug zijn drijvende hok in.

 

Gebogen loopt hij met snelle passen door het construct van straten en kanalen dat een donker gewaad over zich heen heeft getrokken. Zijn vuisten, verstopt in zijn zakken, duwen tegen zijn zwevende rib. De drie vriendinnen van daarstraks zijn er nog steeds, in zijn hoofd. Natuurlijk, hij had spontaner moeten reageren. Of misschien toch inhoudelijker, want hij kent de teksten van de tourguide maar al te goed. Zouden ze hebben gevonden dat de tourguide niet volledig was, dat het meer marketingslogans waren, dan de echte geschiedenis? Zoiets had hij wel een vaker gehoord. Of kwam het daar niet door? Dachten ze dat hij er geld voor wilde hebben? Of twijfelden ze aan zijn Engels? Er was een klik, het knetterde zelfs een heel klein beetje tussen hem en die drie, daar is hij zeker van. Och, als hij toch eens vol aan de wind durfde te varen, of een grachtengedichtje kon declameren op zo’n moment, of beter nog, als hij de dames een boekje met zijn eigen poëzie, vertaald en wel, in hun handen had kunnen drukken. Hij schudt het hoofd. Hij zou het nooit kunnen. Hij heeft nu al buikpijn.

Hij is bijna thuis. Aan de overkant van het water steekt zijn woontoren stram de lucht in. De kleine studio’s zijn stuk voor stuk uitgerust met een wit buitenboordhekje en bijbehorend zonnig placebobalkonnetje. Op een bankje aan de kade gaat hij zitten, pakt zijn dummy en schrijft op:

ik mis het water waar we samen langs lopen. Ik mis het samen langs het water lopen. Ik mis het water, niet het varen laten…

De volgende keer gaat hij in Jan-liners antwoord geven en over niet al te lange tijd gaat hij grachtenpoëzie voordragen in de boot, tenminste, als het hem lukt. De tijd van afgescheept worden na een praatje moet in ieder geval echt voorbij zijn. Vanaf nu klampt hij ze gewoon aan boord, vist hij ze direct de boter in, hengelt hij ze Robbiaans met schwung een conversatie in, zet hij met een poëtische vonk de boel in lichterlaaie. Maar hij schudt het hoofd alweer en krabt zenuwachtig aan zijn kalende hoofd. Een bibberende trekvogel die vastgevroren zit een vijver, dat is hij. Je moet eerlijk zijn, Niek, bijt hij zichzelf toe. Jij durft niet hoger dan de mast te klimmen, jij niet. Jij durft geeneens gedichtjes voor te dragen. In Witte de With heb je het ooit een keer half gedaan en nog een keertje in de Poetsclub, met knieën vol water. Applaus kwam er niet. Heel misschien waren er een paar povere poëten die bezweken onder het overgewicht van hun taal, die zeiden dat ze je wel aardig vonden, terwijl je al op weg naar de uitgang was.

Opeens is hij Robbie intens dankbaar. Dankzij hem heeft hij Facebook leren kennen en kan hij naar buiten treden met zijn versjes. Weliswaar slechts met smartphonegedichtjes, maar toch, het is voor hem een weg naar buiten. Zonder dat digitale podium zou hij geen reden hebben gehad om weer te gaan schijven.

Zijn blik zeilt over het Oosterdok, klautert aan de overkant op het droge, kruipt de kade over, marcheert de stoep op en klimt zuignappend tegen de grijze muur omhoog tot hij bij zijn studio is, waar hij, zich optrekkend aan het hekje, naar binnen kijkt – er is niemand thuis. Gelukkig . [6]

 

 

5. Pietenbooot (dit hoofdstuk eventueel iets naar achteren)

‘Love, exciting and new…’ Naast hem op de huiskamerbarkruk klinkt een gezongen ringtoon. Het is alweer een week en een dag geleden dat de drie vrouwen er bij de kant vandoor gingen. Buiten broeit er een legendarische eind november lentedag. Met zijn vijftigersbuikje, verborgen achter de vergrijsde coulissen van zijn zwarte slaap T-shirt, hangt hij tegen zijn balkonhekje. ‘… Come aboard. We’re expecting you....’

Waarom zou Jan hem nu bellen? ‘Met Niek hier. Moment Jan.’ Snel schrijft hij op:

surrealistisch warme lucht blaast zichzelf over eind november herfstwater heen

‘Dag Jan. Alles wel schipper?’

‘Niekus. Jij moet mij een gunst doen en morgenmiddag mijn roer overnemen.’

Morgenmiddag… Niek blaast een geveinsde rookwolk het toestel in en schudt langzaam het hoofd. ‘Sorry Jan, dat kan ik niet. Twee dagen onrustig weekendwater is mij echt te veel.’

Even klinkt er een zwijgend gerochel. ‘We gaan onze maten toch niet in steek laten, Niek?’

‘Die drukte enzo, Jan. Je weet het toch. Ik ben er gewoon weinig van en ik moet mijzelf in acht nemen. Op zaterdag moet ik mijn kop leeghouden, anders red ik de zondag niet.’

Jan laat een Jan-vreemde stilte vallen, maar niet voor lang: ‘Niek, luister. Het gaat hier om een knap schuitje dat jij niet wil missen. Jaren 20-30. De standaard hoef jij niet te varen. Je kunt een lekker rustig watertje pakken. Acht, negen passagiers, die door hun eigen gids aan het handje worden meegenomen. Het enige dat jij hoeft te doen, is zorgen dat het sloepie drijven blijft.’ Niek richt zijn blik letterlijk naar binnen. Witte muren, twee rechthoekige zwarte stoelen en een tafel op stevige poten om gedichtjes uit te vogelen, een retro tweezits voor zijn jas en twee Bauhaus barkrukken om op te zitten als hij zijn afhaalmaaltijd naar binnen werkt. De rest heeft hij jaren geleden in de Rotte laten drijven. Hier, in de geruisloze rust van zijn huurhuisje op hoogte voelt hij zich een stuk meer op zijn gemak dan op het zaterdagse water. ‘Luister, even onder ons, Niek, het draait hier echt om een noodgevalletje. Ik schijn die Zaanse van mij een verjaardaglunch te hebben beloofd. Je weet hoe ze zijn, gozer. Jij moet mij de brand uit helpen. En trouwens, het is niet slecht betaald. Een meier, schoon in het handje.’

Nieks blik ontsnapt naar buiten. De lucht ziet hij, de daken zoals kinderen ze tekenen, de stakerige bladloze bomen, de bewandelde kade, de blinkende plas. Water, het trekt, het trekt altijd. Afgelopen juli was hij voor het laatst op een zaterdag het water opgegaan, ook voor een noodgevalletje. Van de eerste vaartjes die dag kan hij zich nog herinneren dat het steeds drukker op het water werd, daarna hadden er mensen vragen gesteld over een van de grachtenpanden en daarna… hij heeft geen idee hoe hij thuis is gekomen die dag. Hij rilt. Maar nu is het november. En de watershow van Sinterklaas van afgelopen zondag heeft hij ook overleeft. Met moeite, maar Robbie hield hem op de hoogte zodat hij de drukte kon omzeilen. Nee, hij moet eerlijk zijn, zolang hij niet vol aan de wind hoeft te varen is het niet zo erg en mag je je maten nu voor eigen riemen laten drijven.

‘Oké, Jan. Ik denk dat ik het wel kan.’

‘Zo ken ik je weer, Niek. Tegen de tijd dat jij de boel weer op de kade hebt staan, ben ik van moeder de vrouw verlost en trakteer ik jou op een biertje in Het Apie. En Niekie, dan gaan we er dan dus niet weer sneaky van tussen, hè. Tot morgenmiddag!’

 

Jan had niets te veel gezegd. Een sluiper van een sloepje[7]. Magere boeg, Javaans teakhouten opbouw. Het zou zomaar het mooie zusje geweest kunnen zijn van het woonsloepje waar hij met Inge in Rotterdam op verbleef. Als hij naar binnen gaat zijn schippersbloed de waterval af. Het fijne art-deco houtsnijwerk, het fraai gedecoreerde toiletdeurtje, de netjes weggewerkte warmeluchtvloerverwarming en - niet onbelangrijk - een minikeuken met modern-klassiek espressoapparaat. Vingertopgewijs glijdt zijn hand stroomafwaarts over het plüsch van de banken. De zachtheid die hij voelt, het past dit bootje.

Stomend water wurmt zich door een Nespresso-cup heen. De witte ontbijtbordgrote klok - die dan wel weer in de Ikea lijkt te zijn opgeduikeld - zegt hem dat hij de trossen nu zou moeten losgooien. De lading echter, heeft het tij blijkbaar tegen.

Met een bakkie verse pleur en een peuk op de wal neemt Niek de tijd voor het kordate zonnetje om hem kunnen beschijnen. Vanaf de overzijde van de gracht kijkt de vroegere Prinsenhof hem aan. Tegenwoordig is het een hostel voor de betoefden, weet hij, compleet met vijfsterren en gefort door een niet oorspronkelijke plastische voorgevel in de expressionistische natuursteenstijl van de Amsterdamse school.

Hij stapt het water weer op en neemt nu als een kleuter in een graafmachine plaats in het schippersgedeelte van het notarisbootje. Zijn handen strelen het gladgeschuurde antieke stuurhout. Het slotje van de delicate halshanger van zijn stiefmoeder indachtig, draait hij het contactsleuteltje voorzicht om. Het ontkoppelde mechaniek zoemt liefkozend. De Oudezijds Voorburggracht, die als een gewillige oude dame onder hem ligt, begint voorzichtig te rimpelen.

jaren twintig boom drijft in gouden riool. een neuriënde man in onderbroek loopt langs de fourniturenzaak. hij…

Een opgewekte stem haalt hem uit zijn dichterlijke gedachten. ‘Hoi. Ben jij onze schipper vandaag? Ik ben Jain.’ Een zwarte vrouw met langwerpige oorbellen onthult haar ogen die hem aankijken als zoeklichten, daalt het trapje af. Met haar ene hand plant ze haar fraaibizarre oversized zonnebril in haar haar korte kroes en met de andere geeft ze hem een belangstellende hand.

‘Niek hier. Welkom aan boord, mevrouw.’ Achter haar aan loopt een zevental veertigers in ganzenpas vanaf de kade het dek op. De eerste twee, een stel van rond de veertig. Haar dikke glimmende zwarte krullen vallen over haar okerblauwe schoudervullingen heen. Hij, de schaduwzijde van het stel, kijkt hem met zijn droevige vissenogen even onderzoekend aan. De twee volgende zijn opnieuw een stel. Of zouden het broer en zus zijn? Nee, het dunne slaphangende bruine haar, dat door de donkerblauwe capuchon van haar houtje-touwtje jas wordt gevangen, lijkt nou niet bepaald als twee druppels water op zijn bruine sprieten, die door een straffe kam onsuccesvol platgebonjourd zijn. Het derde stel bestaat uit een gespierd raspaard, met serieuze trekken in zijn kortgeschoren zwarte hoofd, die net als zijn staafmagere vriendin regelmatig naar de wenkbrauwwaxbar gaat. De laatste gast van Jain is een kleine, geheel in zwart geklede, zichzelf een beetje verstoppende vrouw. Met haar zachte stem zegt ze onverstaanbaar haar naam. Haar verlegenheid werkt aanstekelijk, maar gelukkig loopt ze al snel door, achter de anderen aan, naar de kajuit waar iedereen rond de opklapbare salontafel plaatsneemt.

Hij klimt naar boven, maakt de touwen los, onderwijl luisterend hoe Jain benedendeks de leiding neemt, die van een tourguide verwacht mag worden: ‘Jullie hebben allemaal een plekje, goed zo. En Niek, kun jij je misschien even voorstellen aan mijn gasten? … Niek?’

Snel daalt hij het trapje weer af. ‘Ja. Niek hierzo. Welkom aan boord van dit prachtige salonsloepje, bouwjaar omme nabij de jaren 1920, 1930.’

De jongen met de bruine sprieten en met z’n een halflange liberale lakjas nog aan, steekt zijn vinger zowat het plafond in: ‘Mooi bootje, man. Is hij van jezelf?’ Voor Niek kan antwoorden palavert het joch al verder. ‘Ik denk te weten dat jouw sloepje in 1913 gebouwd is, misschien een jaartje eerder, in ieder geval vlak voor de eerste wereldoorlog. In die tijd werden er veel van dit soort schuitjes “pour les riches” bestelt. Ik doe, voornamelijk hobby-achtig hoor, in bootjes, hoofdzakelijk via een soort marktplaats voor alles wat drijft. Geen vetpot hoor, maar ik weet de juweeltjes er vaak wel uit te pikken, dus ik mag niet klagen, we kunnen er aardig van op vakantie. Als iemand dus geval vragen heeft over bootjes dan kun je bij …’

‘Arthur,’ snoert Jain hem de mond, ‘ik wil dit onderwerp graag laten rusten, zodat Niek kan afronden en we onze tour op het water kunnen vervolgen.’

‘Wat ik nog wilde zeggen …’ gaat Arthur verder…, maar Niek maakt zijn verhaal af:

‘Mevrouw Jain is jullie gids. Ik zal mijn best doen om iedereen weer droog op de wal te zetten. Behouden vaart allemaal.’

Hij draait zich om en mag het bootje dan eindelijk in beweging zetten. ‘Niek hier. Ik vaar.’

Langzaam glijdt het watersierraad door de Oudezijds Voorburgwal. Haar zoemende sirenezang maakt dat hij verliefd-dicht tegen het teakhout aanleunt. Wat een heerlijke dag is dit en wat is hij Jan dankbaar en wat is hij trots op zichzelf dat hij sterker is geweest dan zichzelf.

de stad op zaterdag, een krappe sloot tjokvol eendjes, behalve hier …

Hij probeert Jains stemgeluid te negeren.

het stadswater op zaterdag is een sloot vol kweektilapia gevoerd door eettentjes. Maar hier, niets van dat alles. de oude zijde van de waterstad wordt ontsloten door dunne grachtengangen die onzichtbare grenzen trekken met wachters die niet iedereen welkom heten. dit zie ik en ik …

Zwarte slaven op gevelstenen? Verzwegen geschiedenis? Waar heeft die Jain het in hemelsnaam over? Hij kijkt achterom. Oh nee, in plaats van naar alles te kijken wat deze oude stad hun verwende toeristische ogen voorschotelt, staren de passagiers nu krampachtig naar iets kleins dat Jain krampachtig staat aan te wijzen. En ondertussen maar vertellen en vertellen. Moren op gevelstenen? Die mensen hebben echt geen verrekijkers bij zich, Jain!

‘Ietsjes langzamer, schipper. Kun je achteruitvaren, Niek? We willen dat pand daar nog even zien.’

de stand-in tourguide wijst schuin naar achteren. ‘Zien jullie Tromp daar? De zoon van de beroemde VOC-zeeheld?’

‘Wie? Trump?’

‘Nu weer ietsjes terug naar voren, Niek.’

Hij voelt de zenuwen in zijn zweetklieren. De processie van Echternach doen ze maar op de wal. Hij is de heen- en weerwolf niet.

‘Nee, Tromp. Hij gebruikte regelmatig schepen van De Republiek om er illegale handelsmissies mee te uit te voeren. Op een van die gedoogde zelfverrijkingsreizen kwam hij terug met een zwarte knaap. Die jongen, die staat daar, naast Tromp, als bediende afgebeeld. De Oranjegezinde Tromp werd ondanks alles Admiraal van de vloot van de Zeven Provinciën, de voorloper van ...’

Gelukkig. De Oude Kerk. Open water is aanstaande. Niet dat hij niet geniet van deze oude gracht, maar zonder van tijd tot tijd het ruimzicht van open water, zou hij al snel in de neer zitten.

‘Schipper, wacht even.’

Wat nu weer? Hij gaat echt niet nog eens achteruitvaren. Als dit zo doorgaat wordt het een zeezieke middag zonder watergedichtjes.

‘Hier, onder deze kerk liggen 2500 mensen begraven. Eén van hen is de vrijgemaakte Surinaamse tot slaaf gemaakte Beeldsnijder. Door zijn vader werd hij op z’n tweede vrijgekocht, in 1781. Hij leefde …’

Hij moet het toegeven. Hij dacht dat hij alles wel wist over die kerk. Niet dus. Maar waarom ontvouwt Jain dit allemaal, waarom zet ze haar welbespraaktheid niet in, om de Oude Kerk zelf in het zonnetje te zetten. Het is notabene een van de twee enige intact gebleven gotische kerken van Amsterdam. En het oudste gebouw van Amsterdam. En vroeger droeg de kerk de naam van de patroon van de zeelieden, voor een havenstad als Amsterdam niet onbelangrijk. Kijk dan hoe mooi die hoge ramen kraanachtig rijken tot aan de trotse glooiende spitsbogen hoog boven de stad.

Langzaam drijven ze verder. Dit snuisterijrijke sloepje, hij blijft het vinden, is van een kwetsbare schoonheid. Straks gaat hij Jan zeker bedanken. Met die meier die hem te wachten staat zal hij eens goed gaan trakteren.

‘Niek hier. In het mooiste schuitje van de dag. Oudezijdse Kolk richting Havenfront.’

Eindelijk weg bij die gevelstenen met hun dansende, expressief gedecoreerde buitenlanders.

‘Links voor je ligt het Centraal Station. Denk het station weg en probeer je de Zuiderzee voor te stellen. Tientallen Galjoenen, Hoekers, Barken en Fregatten liggen er afgemeerd, de masten hoog de lucht in.’

Goed zo, Jain. Niek denkt aan de trotse schilderijen, met de Hollandse luchten, de gebolde zeilen en het schuimend water.

‘Hollandse Kapiteins als Hagerop, Schrijver, Winia, Ewaldus of Smit struinden de wal, op zoek naar manschappen en bevoorrading. Wekenlang zijn ze in de weer om de driehoeksvaart voor te bereiden die Amsterdam zo rijk heeft gemaakt. De Fregatten werden bevoorraad met kralen, gekleurd linnen, afgekeurde musketten, drank …’

Ewaldus? Hoorde hij dat nu goed? Niek draait zich om. ‘Jain?’ maar Jain laat zich niet onderbreken.

… om na een jaar weer terug te keren met een schip vol suiker, koffie, tabak, goud en ivoor.’ Even is ze stil. De passagier kijken naar het watertafereel, proberen zich, zoals alle toeristen in deze stad, een voorstelling te maken van het oudhollandse watertafereel.

‘Niek, kun je naar rechts varen?’

‘Aan jullie rechterhand, in de Schreierstoren, bevindt zich het VOC-café.’

Hij knikt. Hij heeft Jain onderschat. Ze ligt op koers nu. Langs de oudste waterchinees van Europa varen ze. Daar zwijgt ze over, dat kan. Morgen mag hij weer het normale water op. Hij verheugt zich al op het eerste zondagochtend vaartje, zijn eigen weekdienst van rust op het water. Vanavond gaat hij nog wat aantekeningen uitwerken. De grachten in gedichtjes. En, stel dat hij het voor elkaar krijgt om er echte gedichten van te maken, en om er een boekje van te maken, stel dat, dan kan hij ze misschien ook wel laten vertalen en ze meegeven aan de toeristen op zijn boot. Authentieke gedichten door schipper Tourguide Niek-I-Amsterdam. Misschien kan de baas er zelfs wel een cellofaantje omheen wikkelen en het bundeltje als relatiegeschenkje bij het kerstpakket van volgend jaar stoppen. Maar vrijwel direct schudt hij het hoofd. Achterdeurcommunicatie, zo had ze zijn poëzie genoemd, meer waren zijn schrijfsels niet. Voer je zeil nou maar niet hoger dan je mast lang is, Niek. Dat hij op facebook zit, daar mag hij al trots op zijn. Soms krijgt hij zelfs best wat likes bij zijn versjes, ook van mensen die hij totaal niet kent, maar hij weet ook dat er trollen actief zijn op de sociale media, die te pas en te onpas hun duim in de lucht steken. En toch, toch denkt hij er al stiekem aan om ook ooit nog eens een twitteraccount te openen, maar dat gaat hij nu nog niet door de scheepstoeter schreeuwen.

Hij staart naar de geconserveerde oude panden langs de Prins Hendrikkade.

zilvervloot nu zilvervisjes. Ik vraag mij af, of als ik mijn hand in water stop, mijn vingers in het verleden zijn. back to the future, maar dan andersom, als een doosje verkoolde lucifersdoosjes die weer keurig met de zwavelkopjes aan de juiste…

‘Aan jullie rechterhand, links naast de brug, ligt het West-Indisch pakhuis, de vroegere hoofdzetel van de WIC, de West-Indische Compagnie. Als je goed kijkt zie je rechtsboven het jaartal 1642 staan. Dat is niet alleen het jaar dat Rembrand zijn nachtwacht voltooide, maar ook het jaar dat dat pand werd voltooid en in gebruik genomen door de WIC, die het staatmonopolie had op de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. Met het logo dat je daar ziet werden gevangen genomen mensen gebrandmerkt, voordat ze …[8]

Niek staart naar de grijsblauwe luiken van het pakhuis. In zijn gedachten ziet hij koeien als paarden steigeren terwijl ze roodgloeiende boerenlogo’s in de dijen gedrukt krijgen. Roetgeur van brandend vlees dringt zich aan hem op, kippendijen die dichtschroeien, verkoolde vleesresten op een barbecuerooster, sidderend mensenvlees. Hij rilt. Misselijk luistert hij naar een holle metalen echo die hij probeert thuis te brengen.

‘Niek? … Niek?’ Hij hoort Jain en hij knikt. ‘Vaar maar naar links, Niek. Richting het scheepsvaartmuseum.’ Jain trekt hem weg bij de schroeiende gedachte en zet hem weer met beide benen terug in het waterpareltje. Ze zetten koers richting het voormalig magazijn van de oorlogsvloot. Het water is rustig hier. Even werpt hij een blik op zijn kleine huurappartementje in de verte, op de bovenste verdieping van een van de namaakpakhuizen. Hoelang zijn ze nu eigenlijk al helemaal aan het varen? Een dikke drie kwartier? Concentreer je maar op jezelf, Niek. En op je versjes.

open water is geurloos, je uitzicht een Thaise zeemansmassage. het lichaam …

‘Schipper Niek, kun je iets links hier. Even tot voorbij de replica van het VOC-schip?’

‘Ja ja.’ Voorzichtig vaart hij langs de boeg van De Amsterdam, drijvend pronkstuk van het maritiem museum, tot bijna onder de bek van de brullende leeuw met z’n oranje krullen.

‘Ja. Leg hem hier maar even stil, Niek.’

Jain wijst naar het stoomschip, dat aan de andere kant van de steiger ligt afgemeerd. Wat gaat ze nu weer doen? ‘Wie herkent die boot?’ Niek snapt het en voelt direct het enthousiasme door zijn aderen suizen. Verbaasd kijkt hij om naar zijn zwijgende passagiers. Weten die het echt niet? Nog even houdt hij zijn geestdrift binnen, maar dan breekt zijn dijk.

‘De stoomboot natuurlijk!’ roept hij uit, ‘er passen wel honderd pieten in!’ Nog steeds blijft het stil in het ruim. ‘Niet dan? Ik heb vier jaar geleden toch zeker zelf meegevaren. Niet op die boot, maar op een van de hulppietenboten, een sloepje ongeveer zo groot als deze. Twaalf had ik er aan boord, mooi geschminkt, vrolijke witte pluimen en kragen die prachtig kleurden bij de roodzwarte pakken en felgekleurde baretten en de gouden gespen. En een drukte op de gracht, man, niet normaal. Zes jute zakken hadden we bij ons, tot de nok toe gevuld met kruidnoten en suikergoed. Echt, als jullie het nog niet hebben gezien, dan moet je volgend jaar echt nog eens komen in het weekend van de Amsterdamse intocht…’ Heel even valt hij stil. ‘Oké, ik moet, ik moet eerlijk bekennen dat ik, dat ik het eigenlijk niet had moeten doen. Het leek de Koninginnedag op het water wel. Haringen bijtend in elkaars staarten. Het was mij eigenlijk te benauwend. Ik bedoel, als het ergens vol is met mensen, dan, ik bedoel, er is altijd mensen geweest die mij altijd verzekerd hebben dat ik mij uit de weg moet maken als er veel mensen zijn, dat het gevaarlijk is, dat mensen heel naar over mij denken en mij dan willen vertrappen, of niet echt, maar, ik voel ik mij dan soms… , ja, ik weet het ook niet… ik…’

Nieks handen trillen.

‘Het is goed zo, Niek. Dank je.’ De moederlijke warmte in Jains stem kalmeert hem een beetje. Ze staat op en duwt hem heel lichtjes terug naar het stuurwiel. Niek draait zich houterig om en laat het sloepje langzaam bij het gerepliceerde schip vandaan pruttelen.

‘Concentreer je maar op het water, Niek,’ zegt hij hardop tegen zichzelf, terwijl er achter hem een discussie losbrandt. Slikkend kijkt hij naar het water waar kleine golfjes op dansen. Heel even denkt hij aan dat magische moment van vroeger, als er pepernoten de huiskamer in werden gesmeten nadat de langspeelplaat met sinterklaasliedjes was opgezet. En aan het boek van Otje en Netje, dat zijn pleegmoeder voorlas aan de haar eigen kinderen, waar hij dan stiekem ook bij mocht zitten.

 

Na een lange gracht is het weer rustig achter hem. Nieks gedachten en ogen dwalen af naar het wateroppervlak.

lazers op zonne-energie wringen zich tussen het altijd-anders water door. zilvervisjes verschijnen weer. nooit vragen ze of ze welkom zijn, noch of ik tijd heb. als ik moe ben komen ze minder vaak. misschien zouden ze dan juist …

Het lukt hem niet om tot iets goeds te komen. Het liefst zou hij de boot nu aan de ketting leggen en op huis aan gaan. Of nee, het liefst zou hij nu de Maas op drijven, op een lang schip, in complete rust. Hij mist de landschappen. Hij mist de ruwe lading. Wat had hij allemaal wel niet verscheept dwars door het rivierenland. Kolen, buizen, bieten, bulk. Overslag met plastic, kleding, kabels, schoenen, made in China, geen idee. Lading. Werk. Containers als black box. Maar de zinvolle bijdrage aan de handel, de laadbakken, de onregelmatige lange dagen - het is allemaal verleden tijd. Tegenwoordig bestaat zijn lading uit gewillige toeristen, makke slaven gevangengenomen door het I-Amsterdam-net van museale openluchtverleiding, AirB&B en budgetairlines. En hij mag van geluk spreken dat het schipperstekort hier zo groot is dat hij iedere dag het water op zou kunnen voor de baas. Maar vier dagen per week vindt hij wel genoeg. Zo houdt hij ruimte over om, zoals vandaag, een extra vaartje te pakken als hij daarmee zijn maten kan helpen, als die het roer niet zelf kunnen voeren. Ja, het is eigenlijk best goed toeven hier op de gracht. Nooit meer wachten op een nieuwe lading. Lange tijd is er hier geen eenzaamheid geweest die z’n ra lamschiet, geen onregelmatigheid die z’n roer afbreekt. En altijd bereik om zijn gedichtjes op Facebook te zetten, eigen werk dat hij, als het goed genoeg is en als hij het durft, misschien ooit in het echt zal gaan voordragen.

Jain tikt hem op de schouder. Hij schrikt op uit zijn gedachten. ‘Niek, kun je straks bij de Spiegelgracht linksaf en dan daar aanleggen bij het museum?’

‘Het Rijks? Bij de steiger aan de Stadhouderskade?’

Jain knikt. Niek knikt.

‘Niek hier. Wetering - Stadhouders.’

Vijftig meter voor hem ligt de houten steiger van collega Stromma, waar hij zijn passagiers zo voor het megalomane, op Katholiek-Kathedralistische leest geschroeide Rijksmuseum aan de wal kan zetten. Even kijkt hij over zijn schouder naar Jain. De minuscule ringetjes die als regendruppels aan haar oren hangen, dansen blinkend in het ruim. Hij moet eerlijk zijn. Ze heeft verstand van haar werk en ze is een geboren spreker. Als een collega tourguide je zo weet te verrassen, dan is ze geen dekmatroos, maar dan houdt ze het helmhout.

De torenklok glimlacht naar hem. ‘We zijn er.’ Als eerste springt het betweterige bootjesjoch de wal op. Iedereen volgt. Jain bedankt hem. Als laatste stapt de teruggetrokken temide vrouw uit. Heel even kijkt hij naar haar slanke donkere gezicht, met die kleine priemoogjes. Haar hals zit verborgen in een grijze, ragfijn gebreide sjaal. Ze steekt haar hand voorzichtig naar hem uit en geeft hem twintig euro. ‘Namens ons gezelschap, dank je, dat je ons weer droog op de wal hebt gezet, schipper. En dank je voor je eerlijkheid.’ Een klein lachje tingelt ergens diep in haar keel, daar waar haar honingzachte stem ontspringt.

Hij bedankt haar binnensmonds, maar echt het zeil optrekken durft hij niet. Onhandig propt hij het blauwe biljet in zijn achterzak en loopt terug zijn stuurkooi in.

 

Als hij terug op de Oudezijds is en de salonboot overdraagt aan een man van de rederij, klinkt er een echoënd geluid dat ergens van binnen in het kleine schip komt, alsof er iemand met een miniatuur sloophamer op de romp van een metalen schip staat te rammen. Hij daalt het trapje nog een keer af en zoekt tevergeefs in het ruim. Het Ikeaklokje geeft aan dat het inmiddels vier uur is. Waar is hij geweest met zijn gedachten? Hij heeft geen idee meer door welke water

terug naar overzicht